Inleiding
De
kleiput in de Wildertse Duintjes vormt reeds jaren een interessant
studiegebied voor liefhebbers van Herpetofauna (amfibieën en reptielen).
Sinds 1985 worden de aantallen hier geteld en alle beschikbare gegevens
werden aan de herpetologische studiegroep Hyla doorgegeven en verwerkt in
het prachtige boek “Verspreiding van amfibieën en reptielen in
Vlaanderen” van Dirk Bauwens en Katja Claus.
In diezelfde Wildertse Duintjes werd het
‘Bergenven’ terug uitgegraven en in de Horendonkse Bossen werd het ‘Zandven’
in ere hersteld.
Al deze plekken evolueerden tot interessante ‘amfibieën’-poelen en worden
jaarlijks geďnventariseerd.
Nu ook blijkt dat er in 2004 in de omgeving van het ‘Wildven’ heel wat
verkeersslachtoffers gevallen zijn, willen we ook hier maatregelen treffen
om deze dieren beter te beschermen.
Er is dus nog veel werk aan
de winkel !!
Op de 4de Herpetologische studiedag (14 oktober 2000) werd het 16 km˛-hok
waarin zowel de Wildertse Duintjes als De Nol liggen als ‘hot-spot’
aangeduid. Dit wil zeggen dat deze 16 km˛ zéér interessant zijn voor de
inheemse herpetofauna.
Daarom leek het ons leuk om eens een overzicht te geven van de aanwezige
amfibieën en reptielen in het gebied.
De lijst met
waarnemingen in de Wildertse Duintjes
1. Van 1985 tot 1999

Rugstreeppad en
Heikikker werden na 1996 niet meer waargenomen in dit gebied. Elders in
de Noorderkempen komen ze nog wel voor o.a. in De Nol, de Kalmthoutse
Heide en het Klein Schietveld.
2. Van 2000 tot 2004

Het voorkomen van de Kamsalamander wordt twijfelachtig. Sinds 2002
werden er geen exemplaren meer gezien.
Misschien in 2005 terug zeer gericht op zoek gaan naar deze prachtige
salamander.
Nieuwkomer, maar daarom
geen aanwinst, is de Roodwangschildpad.
Deze dieren worden daar vrijgelaten wanneer ze te groot worden voor het
aquarium waarin ze gehouden worden.
Deze vraatzuchtige
dieren zijn een bedreiging voor onze inheemse amfibieën en hun larven.
|
De
aanwezigheid van enkele soorten die op de Rode lijst als “Zeldzaam”
worden omschreven maakt dat de kleiput van de Wildertse Duintjes van groot
belang is voor het voorkomen (en behoud) van deze soorten. Het gaat hier om Rugstreeppad,
Heikikker, Kamsalamander, Vinpootsalamander en
Kleine Hagedis.
Spijtig
genoeg hebben we de afgelopen jaren vastgesteld dat zowel de Rugstreeppad,
Heikikker en Kleine hagedis niet meer werden waargenomen in het gebied (wat
niet wil zeggen dat ze niet meer voorkomen). Deze soorten komen gelukkig nog
wel voor in De Nol en de Kalmthoutse Heide.
Tijdreeks
Gewone Pad
Nu
we ongeveer weten waar welke soorten voorkomen is het belangrijk om te weten
te komen in welke mate de populaties aan veranderingen onderhevig zijn.
Vandaar het belang van ‘tijdreeksen”.
We hebben gepoogd een tijdreeks op te maken voor de Gewone Pad uit de
kleiput.
Bij
deze grafiek hoort echter een beetje uitleg:
-
Het
gaat telkens om het maximumaantal van alle inventarisaties tijdens het
voorjaar. Dat is waarschijnlijk het minimum aantal dieren; we kunnen ze
nooit allemaal vinden.
-
De
lage aantallen van 1986 en 1987 zijn het resultaat van eerder beperkte
activiteit van de inventariseerders.
-
De
hoge aantallen van 1991 en 1993 zijn het gevolg van de zeer lage
waterstand in de kleiput. We konden de volledige oppervlakte bekijken.
De volgende jaren moesten we ons (wegens hoge waterstanden) beperken tot
de randen van het water en de omliggende paden, zodat we waarschijnlijk
heel wat dieren (in het water) misten.
|

gewone pad
|
Zoals
je merkt worden de laatste jaren minder padden waargenomen dan in het
begin van de jaren ‘90. Dit ondanks het feit dat Werkgroep
Leefmilieu- Essen en Natuurpunt Noorderkempen hier alle mogelijke
beheerswerken hebben uitgevoerd.
Dat de aantallen de voorbije jaren fel afgenomen zijn is te wijten aan
de te zure waterkwaliteit. Er werden geen jonge padjes geboren en daar
merken we nu de gevolgen van. Gelukkig blijft het aantal de laatste
jaren constant, zodat we mogen hopen dat er beterschap op komst is.
Feit is ook dat er ten westen van de Wildertse Duintjes een aantal
tuinvijvers werden ingericht. Heel wat dieren die ten westen van de
kleiput overwinteren worden door deze tuinvijvers opgevangen en
bereiken dus nooit de kleiput.
|
Besluit
Als
we alle getallen netjes op een rij zetten kunnen we toch besluiten dat,
ondanks de negatieve trend, de kleiput nog steeds zijn waarde heeft voor de
Gewone Pad te Essen (het is nog
steeds de grootste gekende populatie).
Misschien heeft het uitgraven van het Bergenven een positieve invloed op de
paddenpopulatie (en andere amfibieën) van de Wildertse Duintjes. Het
Bergenven is een nieuw uitgegraven depressie op enkele 100-den meters ten
noorden van de kleiput.
2001 wordt dus belangrijk jaar voor de herpetofreaks: zowel de kleiput als
het Bergenven moeten geďnventariseerd worden.
Met
dank aan alle personen die in de loop van de afgelopen 17 jaar hun gegevens
hebben binnengebracht.
Wie nog wil meewerken aan deze inventarisatie neemt best contact op met
Wim Van den Bergh (voorzitter van Amfibieënwerkgroep Natuurpunt-Noorderkempen)
of ...
Joris
Pinseel
|