1. Inleiding
Iedereen
die iets heeft met natuur kreeg wel via één of meerdere waarnemingen het
gevoel dat deze natuur in het vroege voorjaar ver vooruitliep op haar
jaarlijks programma. Vooral de vroege soorten kwamen deze lente nog enkele
weken vroeger in actie dan andere jaren. Toen ik begin april een elzenvlieg
haar eitjes zag afzetten op een stengel van pitrus (Juncus effusus), wilde
ik wel eens weten of dit beest hiermee wel handelde volgens de boekjes.
2.
Waarneming
In
de namiddag van 2 april viel mijn oog op een motachtig wezentje dat op
enkele cm van de top van een sprietje pitrus geconcentreerd eitjes zat te
leggen.
Deze plant stond een halve meter van de oever in het water en de half
verdroogde stengels staken tot 30cm boven het wateroppervlak uit.
Doordat het diertje zich heel dicht liet benaderen, zelfs tot enkele cm, was
het mogelijk haar legactiviteit te volgen. De eitjes werden netjes in
rijtjes gekleefd aan de stengel. Met 6 poten aan de stengel verankerd,
bewoog alleen het uiteinde van het achterlijf.
Een rij strekte zich over de halve omtrek van de stengel uit, zodat alleen
bij de start van een nieuwe rij de poten soms ietsje naar beneden gingen.
Het geheel van het eipatroon leek een
microspijkerbed.
Vorige jaren had ik hetzelfde eipatroon aan dezelfde poel op een blad van
gele lis waargenomen, waardoor ik wist dat het om een elzenvlieg ging.
Enkele
dagen later was het mogelijk met een sterke loupe het legsel nader te
bekijken.
Elke rij bestond uit een 12 eitjes, cilindervormig en lichtbruin. Ze deden
mij aan minicervelaatworstjes denken, zelfs een wit staartje was
aanwezig.
Op een 20 mm hoogte telde ik 80 rijen, elk eitje had dus een diameter van
0,25 mm en met het leggen van die 960 eitjes zal het beest wel een paar
uurtjes zoet geweest zijn. Het legsel is zeer compact omdat elk eitje van
een rij perfect aansluit bij 2 eitjes van de vorige rij. Als hoogte van een
eitje mat ik 0,6 mm en de eitjes blijken niet volledig loodrecht op de
stengel gehecht te zijn. Op 27 april, een regenachtige dag, zag ik voor het
eerst een tiental larven
friemelen op het broedsel. Het waterpeil was gedurende de voorbije 25 droge
dagen opmerkelijk gedaald, zodat de pitrus een 80 cm van de oever op het
droge was komen te staan.
Voor de larven die alleen in water kunnen overleven geen probleem blijkbaar,
want eenmaal op de grond gevallen kruipen ze instinctief naar het water van
de poel. Larven van de houtpantserjuffer (Lestes viridis) kennen hetzelfde
probleem als ze in juli vanuit de schors van oeverbomen (b.v. els, wilg)
komen gevallen en zullen dan soms meerdere meters moeten springen en kruipen
om het water te bereiken (zie De Korhaan april 1999 blz. 27).
Van de 960 eitjes kenden uiteindelijk slechts minder dan 10% een positief
broedresultaat; van een energieverkwisting gesproken!
Om
het tijdstip te schatten waarop de elzenvlieglarve deze lente de poel heeft
verlaten is het nodig de
levenswijze van het dier te schetsen. Het dier overwintert immers als larve.
3. Classificatie
-
Klasse:
insecten
-
Orde:
grootvleugeligen (Megaloptera) (soms wordt Megaloptera als een suborde
van Neuroptera (vliesvleugeligen) beschouwd)
-
Familie:
elzenvliegen (Sialidae) (enige familie in Europa)
-
Geslacht:
Sialis
-
Soort:
elzenvlieg of slijkvlieg (Sialis lutaria) – algemene soort in Europa
In
België komen van het geslacht Sialis 3 soorten voor die alleen met behulp
van een microscoop van elkaar te onderscheiden zijn.
In Europa zijn 10 soorten beschreven.
4. Biotoop
De elzenvlieg houdt zich vooral op rond
stilstaande wateren met slijkerige bodem. De larve brengt immers een groot
deel van haar leven door op of in het slijk, tot 20 m diepte. Daarom wordt
zij soms ook slijkvlieg genoemd. Ook de wetenschappelijke naam verwijst naar
modder. Door kunstvliegvissers worden nep-elzenvliegen gebruikt bij de
zalmvangst.
5. Bouw
 |
In
rust worden de somber bruin gekleurde vliezige vleugels als een dakje
boven het achterlijf gevouwen.
Het insect lijkt dan op een nachtvlinder of schietmot.
De vleugels zijn echter niet bedekt met schubben en bevatten een dicht
netwerk van lengte- en dwarsaders.
De antennen zijn lang met een groot aantal segmenten.
Het insect meet 20 mm van kop tot
einde vleugels.
Alhoewel de elzenvlieg voorzien is van goed ontwikkelde monddelen
neemt zij nauwelijks voedsel op.
Likken doet ze wel. |
6. Activiteit
Van
april tot juni kan men de elzenvlieg vooral ’s morgens aantreffen rond
stilstaande wateren, meestal zittend op een blad of een stengel.
Ze vliegt weinig en zeer moeilijk en zal eerder wegkruipen dan
wegvliegen.
Vorige zomer zag ik er eentje door een libel uit de lucht geplukt worden. In
feite zat het mannetje platbuik (Libellula depressa) op een takje langs het
water te wachten op een vrouwtje. Meestal komt hij alleen van die tak af om
een concurrent te verjagen of met een aanvliegend vrouwtje te gaan paren.
Een elzenvlieg die enkele meters verder een vluchtje maakte had de pech dat
de libel onverwacht zijn programma wijzigde.
De platbuik vloog er recht op af en de buit werd gemakkelijk met de voorste
poten langs onder onderschept. Hij keerde met zijn buit terug naar zijn
basis en enkele ogenblikken later zag ik vleugeltjes naar beneden
dwarrelden..
Op
dezelfde wijze heb ik ook eens in de heide een keizerlibel een
gentiaanblauwtje zien grijpen.
Een keizerlibel jaagt echter al vliegend. Bij het naderen van zijn prooi
maakte hij een duikvlucht,
gevolgd door een sierlijk optrekmanoeuvre, zodat hij de prooi ook langs
onderen kon vatten. De natuur blijft wreed. Maar ooit zullen wij er wel eens
in slagen een libel met chips en libellenbrokjes groot te krijgen!
7. Levenscyclus
Eileg
 |
Per
legsel worden een 600 tot 1000 eieren lichtjes schuin afgezet op een
stengel of blad dat boven water hangt; een eipakket op een tak, steen
of brug werd ook al waargenomen.
De voorkeur blijkt echter uit te gaan naar smalle bladeren met
parallelle nerven, zoals pitrus en gele lis. Na 1 tot 3 weken,
afhankelijk van de temperatuur, breken de larven uit die dan in het
water vallen of, indien het waterpeil ondertussen zakte, er naar toe
kruipen.
Larven
van hetzelfde legsel verlaten de eitoestand praktisch gelijktijdig. De
kans dat een ei een goed ontwikkelde larve levert is sterk afhankelijk
van de temperatuur.
Beneden 10° blijkt het slaagsucces kleiner dan 20% te zijn; rond 20°
wordt de slaagkans echter 90%.
|

Elzenvlieg - eiafzetting |

Elzenvlieg - eileg |
Larvetoestand
De larve
ontwikkelt zich in het water en vooral in en rond slijktoestanden.
Vandaar
de naam “slijkvlieg” die men het insect soms geeft. Het dier kent 10
larvestadia die het in 2 jaar doorloopt.
De tweede winter wordt in het
laatste stadium doorgebracht.
De larven zijn carnivoor, hebben zelfs
kannibalistische trekjes en vormen zelf een prooi voor libellenlarven. Hoe
ouder de larve wordt, hoe dieper water opgezocht wordt (tot 20 meter) en hoe
groter de prooien worden.
Verpopping
De
elzenvlieg doorloopt een volledige gedaanteverwisseling.
Op een avond in de lente (einde maart tot begin juni) voelt het dier zich
blijkbaar plots te oud om in het slijk te blijven spelen.
Het heeft daar dan bijna twee jaar lang het beest kunnen uithangen, lang
genoeg om energie op te stapelen om zijn hoofdreden van bestaan tot een goed
einde te brengen: zich voortplanten.
Hiervoor echter dient het insect eerst nog een andere gedaante aan te nemen,
want als slijklarve is het niet aantrekkelijk genoeg voor een partner. Het
insect kruipt naar het droge en graaft soms tot op 5 meter van de oever
verwijderd een holletje, een paar centimeter diep, ofwel in vochtige losse
bodem of ook in plantenresten tussen pollen. In deze verpoppingkamer wordt
geen cocon gesponnen en na één dag verschijnt de pop reeds.
Afhankelijk van de temperatuur zal het popstadium 4 tot 30 dagen duren.
Imago
Op
een morgen midden april tot juli verschijnt dan het imago na een wonderlijke
gedaanteverwisseling.
Beseffende dat de gevaren voor het dier op het land veel groter zijn dan in
het water, zal alles nu in sneltempo gaan. De enkele dagen tot weken die het
gevleugelde insect zich aan de natuurliefhebber vertoont (dit is 1% van zijn
levensduur) staan in het teken van de voortplanting.
De dieren blijven tussen de planten langs het water rondhangen. Communicatie
via het substraat waarop zij zitten (grond of planten) laat hen toe een
partner te vinden. Beide seksen kunnen trillingen voortbrengen door
ritmische bewegingen te maken met het achterlijf.
Deze trillingen worden via de poten van de zender langs het
transmissiemedium uitgedragen en komen langs de poten bij de ontvanger
terecht. Onmiddellijk na de paring zoekt het wijfje een geschikte
eilegplaats op.
8. Waarom haast en spoed zelden goed is
We
komen nu terug op onze waarneming.
Eiafzetting had plaats op 2 april. Het popstadium werd zo gedurende de maand
maart doorlopen, één maand vroeger dan normaal.
Met een gemiddelde temperatuur in maart 2002 van 7,5°(2° hoger dan een
normale maand maart, maar 1° lager dan in een normale aprilmaand) zal het
popstadium ongeveer 1 maand geduurd hebben.
Begin maart is de larve dus uit het water aan wal gegaan, ook weer één
maand te vroeg. Een gemiddelde februaritemperatuur in 2002 van 7°, die 4°
hoger lag dan normaal en zelfs ruim een
graadje hoger was dan de temperatuur in een normale
maartmaand, heeft onze elzenvlieg wellicht vroege lentekriebels
bezorgd.
Bovendien viel er deze maand driemaal zoveel regen dan tijdens normale
februarimaanden.
Dat deze verleiding uiteindelijk fataal uitgevallen is, heeft te maken met
de temperatuur in april, de maand dat de eitjes rijpten.
De
temperatuur in april 2002 was wel 1° hoger dan normaal, maar meer dan 2°
lager dan in een normale meimaand. Enkele graden lager, zo vroeg in het
jaar, doet de kans dat een larve uitkomt
sterk verminderen. Vandaar het waargenomen resultaat van minder dan
10%. Er bleven natuurlijk nog een kleine honderd larfjes over. Deze worden
echter, eenmaal in het water terecht gekomen, met open monden door honderden
andere waterburgers verwelkomt.
De kans dat er na twee jaar nog enkele individuen het waterleven overleefd
hebben neemt dus sterk af. Gelukkig lieten niet alle elzenvliegen zich
verleiden door de vroege lentetemperaturen van dit voorjaar zodat in mei de
minder impulsieve individuen konden waargenomen worden.
9. Besluit
De
sterke start van de lente in februari heeft vele insecten verleid om veel
vroeger dan gewoonlijk actief te worden en belangrijke levensactiviteiten,
zoals b.v. verpopping sneller te starten.
Omdat deze temperatuursopflakkering in maart en april geleidelijk uitdoofde,
verliepen verdere stadia onder ongunstige temperatuursomstandigheden. Bij de
elzenvlieg, waarvan het broedresultaat sterk afhankelijk is van de
temperatuur, resulteerde deze toestanden in een broedsucces lager dan 10%,
terwijl in een normale lente de slaagkans kan oplopen tot 75%.
Maar dan hadden wij ook één maand langer moeten wachten om de elzenvlieg
aan het werk te zien.
10. Literatuur
PH. STROOT (1986): Révision des Mégaloptères de la collection belge de
l’I.R.S.N.B. ,Bull. Annls Soc. r. Belge Ent. 122, pp. 195-201
J .M. ELLIOTT (1996) : British Freshwater Megaloptera and
Neuroptera : A key with Ecological Notes, pp. 1-68
H. HÖLZEL et al (2002): Süsswasserfauna von Mitteleuropa, Bände 15, 16,
17 - Insecta: Megaloptera, Neuroptera, Lepidoptera, pp. 1-148
|