|
In
de zomer van 1998 werd een uitgestorven gewaande roofvlieg herontdekt op
de heidevlakte van het Benegobos te Essen.
Auteur geeft een beschrijving van het dier en de omstandigheden waarin het
voorkomt.
Inleiding.
Toen
ik in de zomer van 1998, op een zeldzaam snikhete augustusdag Heivlinders
observeerde, werd mijn aandacht afgeleid door een brommend insect dat op 1
meter van mij landde op een brede kale plek tussen de Struikhei. Wat mij
direct opviel was de bruin-gele
kleur van het sterkbehaarde lichaam dat hoog op de poten stond, een soort
Monster truck uitvoering van een meikever. Het insect zag er erg stekelig
uit, ik zag de soort voor de eerste keer. Van dichterbij door de macrolens
maakte vooral de overvloedige en ruwe beharing, als borstels, indruk op mij.
Het hele uiterlijk straalde woestheid uit: heel grote facetogen, enorme
haren op de poten, een stekelige baard (wellicht om af te likken bij het
zien en na het verorberen van een vleeshapje) en tenslotte een sterk
steekwerktuig vooraan de kop. Voorzien van deze wapenuitrusting was ik niet
verwonderd dat het monster zich tot op een 30 cm liet benaderen.
Later
in de zomer vond ik op dezelfde plek 3 verschillende exemplaren van deze
soort. Na het veldwerk kostte het mij thuis niet veel inspanning om
met behulp van “De nieuwe insektengids “achter de familienaam van
de woesteling te komen want de families van de knuffeldiertjes en
schootinsectjes kwamen niet in aanmerking. Zo kwam ik snel bij de familie
van de Roofvliegen (Asilidae) terecht, orde Tweevleugeligen
(Diptera). Via een werk over roofvliegen (VAN VEEN, 1996) vond ik de
soortnaam: Asilus crabroniformis
Linnaeus 1758 , in het Nederlands soms Hoornaarroofvlieg
genoemd.
Beschrijving.
Een
roofvlieg heeft volgende kenmerken:
-
op
het gezicht staat een baard die op een knobbel is ingeplant
-
aanwezigheid
van een scherpe steeksnuit
-
3
puntoogjes staan op een bobbeltje in een uitdieping boven op de
kop tussen de facetogen.
De
Hoornaarroofvlieg heeft een geel-bruin uiterlijk. Van het achterlijf is
segmentrug 1-3 zwart en de overige zijn geel gekleurd. Kop en borststuk
hebben een gele bestuiving en hij is één van onze grootste roofvliegen
(tot 3 cm lengte). Eenmaal deze soort ontmoet herkent men ze de volgende
keer onmiddellijk.
Vliegtijd, habitat en
levenswijze.
De
soort vliegt vooral rond van juli tot eind september. Hij wordt vooral op
droge heidegebieden en op gras- en weilanden aangetroffen. Eieren worden
dikwijls afgezet in en rond allerlei uitwerpselen (van koeien, paarden,
heideschapen…) die ook een aantrekkingskracht uitoefenen op andere
insecten (zoals bepaalde soorten mestkevers) waarvan de larven een ideale
prooi vormen voor de larven van onze roofvlieg. Deze larven zelf blijken
inderdaad ook carnivoor te zijn.
In
struikheidevelden verkiest hij zitplaatsen op kale grond of boomstammen van
waaruit hij naar prooien loert, deze flitsend achtervolgt en ze met zijn zes
poten in de vlucht vangt. De borstels op de poten dienen om de prooi vast te
houden. Deze krijgt dan een steek van de steeksnuit waardoor ze verlamd
wordt en dan wordt ze leeggezogen. Onze roofvlieg lust niet alleen kevers en
vliegen, maar ook vlinders en sprinkhanen worden gewaardeerd. Meestal
eet hij ”wat de pot schaft”, als het maar vlees is.
Voorkomen.
Wereldwijd werden meer dan 4000 soorten roofvliegen beschreven. De grootste
soortenrijkdom vindt men in de tropen en de subtropen. Roofvliegen zijn
immers een warmteminnende familie. In Nederland telt men 39 soorten, terwijl
er in België 45 soorten voorkomen (waarvan wellicht een deel uitgestorven
is) (VERLINDEN, 1982 ; VAN VEEN, 1996).
Soort in België uitgestorven ?
In
1995 werd in een artikel van TOMASOVIC, vorser aan de Landbouwfaculteit te
Gembloux en aan het KBIN (Koninklijk Belgisch Instituut voor
Natuurwetenschappen) melding gedaan van het uitsterven van de
Hoornaarroofvlieg in België. Het laatste exemplaar van deze soort zou in
1963 gevangen zijn nabij Dinant. Als reactie op dit verontrustende artikel
werden door Dirk Maes (Instituut voor Natuurbehoud) en collega 10 plaatsen
in de Kempen beschreven waar deze roofvliegsoort nog tussen 1986 en 1996
werd waargenomen (o.a. Zwarte Beek, Blekersheide, de Liereman e.a.)
(BAUGNEE-1997). In Wallonië werden 5 recente vindplaatsen geciteerd, allen
op graasweiden. De biotopen in Vlaanderen
betroffen heidevelden en zonnige randen van dennenbossen, beide op
zandgronden.
In
het artikel werd ook gesuggereerd dat wellicht nog op andere plaatsen in de
Kempen vondsten van deze roofvlieg mogelijk zouden zijn. Dit vermoeden werd
zo door onze waarneming in Essen bevestigd. Onze vindplaats te Essen
(UTM-FT0604) betreft ook een heideveldje met Struikhei en Pijpenstrootje met
veel kale plekken. Dit veldje is bovendien langs het noorden en het oosten
omzoomd door een dennenbos en is rijk aan sprinkhanen. Er is ook een
belangrijke populatie Heivlinders aanwezig. Heel zeker is er over gans
Europa een zeer sterke achteruitgang van de soort, wellicht o.a. te wijten
aan het verminderen van het aantal graasweiden. Bovendien is deze roofvlieg,
alhoewel een zeer goede vlieger, te weinig mobiel (VERLINDEN, 1982). In
Nederland blijkt de soort op begraasde heivelden talrijker te worden (VAN
VEEN, 1996).
OPROEP
Er
bestaat een grote kans dat ook op andere plaatsen in de Noorderkempen deze
roofvlieg nog actief is. Lezers die tijdens wandelingen de Hoornaarroofvlieg
zouden waarnemen of hem reeds eerder hebben waargenomen, worden vriendelijk
verzocht hun gegevens door te geven aan ondergetekende of aan de redactie,
om ze verder door te sturen naar Tomasovic die voor het ogenblik een studie
maakt over roofvliegen in onze streken.
Nabeschouwing.
De
Hoornaarnroofvlieg zal mensen nooit lastig vallen. Enkel wanneer hij
bijvoorbeeld met de blote hand gevangen wordt zal hij met zijn steeksnuit
een prik geven . De hevige pijn is van korte duur en neveneffekten zijn er
niet bekend. De Hoornaarroofvlieg is immers een professionele rover die zijn
wereld kent. Hij straalt stijl en moed uit en handelt niet zoals dazen,
muggen, wespen en andere lafbekken, die door hun vervelend gedrag uitdagen
tot een paar rake meppen.
Bibliografie.
BAUGNEE,
J.-Y. & MAES, D., 1997, Asilus crabroniformis L., toujours bien présent
en Belgique. Lambillionea XCVII, 3, septembre, 448-450.
TOMASOVIC, G., 1995, Notes sur les Asilidae de Belgique et des régions
limitrophes (9). Raréfaction en Europe occidentale et porté disparu en
Belgique: Asilus crabroniformis Linné, 1758. Bull. Annls Soc. r. belge Ent.
131, 245-248.
VAN VEEN, M.P., 1996, De roofvliegen van Nederland. KNNV uitgeverij-120 pp.
VERLINDEN, L., 1982, The Asilidae (Diptera) of Belgium and their
distribution in this country. Bull. Ann. Soc. r. belge Ent., 118, 177-185.
Voor
inlichtingen, waarnemingen of andere gegevens mail naar insecten@noorderkempen.be
Vandevenne
Michaël
|