De Houtpantserjuffer (Lestes viridis)


Even voorstellen
De wetenschappelijke naam (Lestes viridis - Vander Linden, 1825) verwijst naar de groene kleur van de libel, terwijl de Nederlandse aanduidt dat dit insect iets heeft met bomen en struiken, zoals ook de gemeentenaam Kalmthout.
De (nog steeds veelvuldige) aanwezigheid van houtgewassen langs waters maken de Houtpantserjuffer een algemene soort in onze streek, want over traagstromend of stilstaand water hangende takken maken een onmisbaar biotoop voor deze juffer.
Eiafzetting van deze libellensoort kan gemakkelijk waargenomen worden daar tijdens dit proces de paren helemaal niet schuw zijn. Gedurende herfst- en wintermaanden verraden kleine karakteristieke rijen opzwellingen van de schors de aanwezigheid van eieren van deze libel.
Wat nodig is om deze soort waar te nemen zijn: jonge takken van vooral Zwarte Els en Wilg nabij een (zuiver) water, als optie een loepje en tenslotte enig zoekgeduld en/of de hulp van een natuurgids.
Uit wat volgt zal blijken dat sommige gedragspatronen van de soort overeenkomen met deze van bepaalde vogels, zoals b.v. van het Korhoen.

Waarnemingen in Kalmthout
Een week na de zondvloed van half september - het was toen één van die zeldzame dagen dat het grijs even door wat zon werd verdreven - viel mijn oog op enkele libellen die langs de zonzijde op de stam van een jonge Els zaten. Een groot gedeelte van de stam stond in het water van een vijf jaar oude poel, waarvan de oppervlakte van de waterspiegel na de uitzonderlijk overvloedige regenval meer dan vervijfvoudigd was.

 

houtpantserjuffer
eiafzetting

De poel had duidelijk een rol van waterbuffer vervuld, met een capaciteit overeenkomend met deze van tientallen regenwaterputten. Terwijl vorige jaren tijdens dezelfde periode en ook de dag voor de zondvloed de oever van de plas begroeid was met o.a. Greppelrus, Knolrus en Tengere rus, was het waterniveau nu meer dan een halve meter gestegen tot praktisch maaihoogte en vormden enkele spontaan opgegroeide jonge Elzen en Wilgen, nog volop in blad, de oeverbegroeiing.

Hoe nauwkeuriger ik de twijgen en stam van deze bomen onderzocht, hoe meer libellen ik op het hout vond. Ik telde zo’n 30 insecten, verdeeld over enkele boompjes van een 3 meter hoogte.

Alle groenkleurige libellen die ik zo in groep aantrof waren Houtpantserjuffers. Van deze soort had ik reeds op 27 juni 1998 een individu gedetermineerd, dat ik op 100 m van de poel vond.

De libellen waren paarsgewijze langs de zonzijde van de takken verspreid. Op sommige plekken vormden zij rechte lijnen van 5 paren en meer. Bij elk paar bovenaan duidelijk het mannetje dat met zijn achterlijf het wijfje bij de kop vasthield. Onderaan het wijfje dat met het uiteinde van het achterlijf draaiende bewegingen maakte tegen het hout.

De volgende dagen met enige zon bleken ook andere Elzen en Wilgen die in het water stonden, maar minder bereikbaar waren, vol van deze juffers te zitten, zodat ik op een bepaald moment 62 Houtpantserjuffers telde, waarvan het merendeel gekoppelde paartjes.
Literatuurraadpleging gecombineerd met eigen waarnemingen openbaarden mij de boeiende en verrassende levenswijze en ontwikkeling van deze insecten.
 

Beschrijving van de Houtpantserjuffer

  • vrij grote en slanke soort, tot 48 mm lengte, van het geslacht Lestidae - onderorde Zygoptera (juffers)
  • metaalglanzend groen uitzicht, daardoor redelijk onopvallend tussen vegetatie
  • pterostigma (vlek in vleugel) bruingeel

Categorie van voorkomen
algemeen, niet bedreigd en wellicht toenemend in Vlaanderen 

Levenscyclus
Deze bedraagt ruim 1 jaar en bestaat uit 3 perioden:
1:  pas uitgekomen imago tot dood na paring en afzetten eieren (half juli - begin oktober)
2:  vanaf afzetten ei tot begin larvetoestand (half sept - begin mei)
3:  begin larvetoestand tot ontwikkeling naar imago (begin mei - half juli)
                       

De tweede periode van de ontwikkeling grijpt voor de Houtpantserjuffer  uitzonderlijk plaats buiten het water en wel in de bast van houtgewas dat over water hangt. Voor bijna alle andere libellen heeft deze ontwikkeling plaats in het water.

Deelcyclus 1 verloopt op het droge en deelcyclus 3, zoals voor praktisch alle libellen, in het water.

Periode als imago
Alhoewel deze periode zich afspeelt op het droge is het nochtans moeilijk de levenswijze van het vliegende imago constant te volgen.
Uitvoerige beschrijvingen van het gedrag en levenswijze van Lestes viridis door l’Abbé Pierre, Geijskes D.C., Dreyer W. e.a. laten toe de ontbrekende fragmenten die de eigen waarnemingen vertonen, aan te vullen en het geheel als uiterst verrassend te ervaren.

De eerste week blijft het pas uitgekomen imago van de Houtpantserjuffer in de nabijheid van de geboorteplek. Het is een periode van uitkleuring en harding van lichaam en vleugels. Tevens dient het insect zich aan te passen aan het leven in de lucht. Dan verspreidt het zich over het land, tot meerdere honderden meters ver van het water. Dit heeft plaats rond half juli. De eerste waarneming deed ik op 27 juni 1998 in een weilandje. Geliefkoosde plekken voor deze libellen zijn ook struiken en bomen langs randen op het zuiden waar ze zich tot op 10 m hoogte kunnen schuilhouden. Beide geslachten zijn door elkaar aan te treffen, enigszins verspreid. Door hun mimicry zijn ze weinig opvallend en alleen als ze opvliegen na verstoring vallen ze op. Deze levenswijze blijft zo duren tot september. Rond deze tijd gaan de 2 geslachten scheiden en vormen ze elk een afzonderlijke groep.

Volgens waarnemingen van Dreyer beginnen de wijfjes zich, na de nacht verspreid in de kruidlaag van het bos te hebben doorgebracht, te verzamelen in hoge bomen rond een zonnige open plek, een 100 m van het water verwijderd. Onder invloed van de stijgende temperatuur beginnen zij actiever te worden en nestelen zich na korte testvluchten steeds hoger en hoger op takken langs de zonzijde tot op het uiteinde van de hoogste boomtwijgen. Deze opwarmingsperiode speelt zich af tot rond de middag.

Ondertussen zijn de mannetjes zich ook beginnen te verzamelen in lager houtgewas en blijven daar tot de middag rustig zitten. Plots beginnen zij echter onstuimig te vliegen in de richting van het water waar ieder de hoogst mogelijke standplaats probeert in te nemen op takken van een groep hoge bomen die evenwijdig groeien met de oever, maar toch enkele tientallen meter ervan verwijderd. Deze rij bomen die door de groep uitgekozen wordt ligt dwars op de vliegroute die de wijfjes later zullen volgen en vormen dus een soort barrière voor deze. Bij het afbakenen van een territorium gaat elk mannetje agressief te keer. De meest dominante elementen nemen de hoogste plaatsen in en onderaan komen de zwakkeren. Het territorium van een mannetje kan men voorstellen als een halve bol, met straal van 0,5 tot 1,5 m en als middelpunt van het horizontale grondvlak de zitplaats van de libel. Alles wat onder hem gebeurt laat hem koud, maar wanneer een indringer, zelfs van een andere soort, zijn territorium invliegt, wordt deze agressief achtervolgt tot 5 m over de grenzen, waarna hij opnieuw zijn oude plaats bezet. Soms kan het zo tot kettingreacties komen waarbij een ganse rij mannetjes elkaar in het haar zit. Na zowat een half uur heeft iedereen zijn plaats in de hiërarchie gevonden en bedaart de zwerm. De voor de voortplanting belangrijke preselectie is tot stand gekomen en er wordt gedisciplineerd gewacht op het overvliegen van de wijfjes.

Dit samenscholings- en “zit - en - wacht” -gedrag als strategie bij de voortplanting is ook bij vogels bekend, zoals bij de Korhoenders en de Kemphanen. Hier hebben (schijn)gevechten plaats om de paringsdrang op te voeren. Bij de vlinders hebben Sleedoornpage en Eikenpage een analoog samenscholingsgedrag. 

Wanneer de wijfjes dan eindelijk één na één de rendez-vous plaats komen overgevlogen op een hoogte van 10 tot 15 meter, op weg naar het water, zullen de hoogstgezeten mannetjes eerst opvliegen en de winnaar zal het wijfje met zijn grijper aan het achterlijf in de kraag nemen en naar lager struikgewas dichter bij het water loodsen.
Wat voorafging is in het veld moeilijk waar te nemen daar alles zich op grote hoogte afspeelt. Wat volgt is even merkwaardig en bovendien gemakkelijker waar te nemen.

houtpantserjuffer
eiafzettend

 Laarzen zijn noodzakelijk en men moet rekening houden dat het water in de herfst  en de winter koud kan zijn.
Voor het afzetten van de eieren  worden door het mannetje frisse twijgen uitgekozen van hoogstens een paar jaar oud die bovendien over het water hangen. Er zijn meer dan 20 soorten bomen en struiken bekend die door de Houtpantserjuffer worden gebruikt als ei-legplaats, waaronder bij ons vooral Els en Wilg. Alle paren hebben dezelfde voorkeur, maar alleen de eersten kunnen kiezen.

Zo komt het dat op zonnige twijgen een rij wordt gevormd van meer dan 5 paren, onder of achter elkaar, tot op een 3 m boven het wateroppervlak. De agressiviteit is volledig weggeëbd, ieder paar blijft rustig op zijn plekje en alle energie wordt geconcentreerd in het plaatsen van de eieren. 

Het afzetten van de eieren
Heel welkom bij de waarnemer is dat de libellen bij het afzetten van de eieren helemaal niet schuw zijn en heel dicht, zelfs met een loepje kunnen benaderd worden. Duidelijk heb ik zelf kunnen waarnemen dat van bomen die aan de oever van de poel staan, alleen die jonge takken bezet worden die over het water hangen. Deze libellen kunnen dus zelfs van op 3 meter hoogte op een 10-tal cm nauwkeurig de aard van de bodem onder hen bepalen: water of vaste grond. Waarschijnlijk baseren zij zich hierbij op reflecties.

Heel merkwaardig vind ik dat de Houtpantserjuffers dit voor hen zo gepaste biotoop  zo snel hebben weten te vinden en tevens heb ik vragen omtrent hun afkomst. In 1996, 1997 en in 1998 (nog voor de zondvloed van september) stond het waterpeil zo laag dat er geen enkele boom in de omgeving van de waterspiegel te vinden was. Echter, amper één week nadat het wateroppervlak zich meters verder had uitgebreid en enkele Elzen en Wilgen in en vlak bij het water waren komen te staan, was deze libellensoort klaar om dit biotoop met meer dan 60 te bezetten. 

Als regel zetten de Waterjuffers hun eieren af in waterplanten. Lestes viridis echter vormt voor deze onderorde praktisch een unicum in Europa met haar ei-afzetting in de bast van over het water hangend houtgewas. Water is essentieel omdat een libellenlarve zich alleen in dit milieu kan ontwikkelen. 

houtpantserjuffer
eiafzettend
Tijdens het leggen van de eieren plaatst het vrouwtje zich in een bijzondere legstand om zo de nodige krachten uit te kunnen oefenen. Achterlijfsegmenten 1 tot 3 worden loodrecht op de tak gericht, segment 4 komt evenwijdig met de tak, terwijl 5 tot 10 terug loodrecht komen te staan. Deze laatste segmenten komen soms tussen de achterste poten terecht (fig. 1). Ondertussen wordt het vrouwtje achter de kop vastgehouden door het mannetje, dit om eventuele verstoorders te weren. Het valt op  dat het uiteinde van het achterlijf van het vrouwtje steviger en breder gebouwd is dan dit van het mannetje. Om haar eieren onder de schors te kunnen afzetten bezit zij aangepaste organen, die gebruikt worden als zaag en boor. Met een loepje en enige voorzichtigheid kan het eileggen worden beleefd. Wanneer het wijfje ervoor klaar is, wordt de schors afgetast met speciaal daartoe voorziene styli met voelharen. 

Wanneer de plek is goedgekeurd begint zij met de getande randen van de valven zagende bewegingen uit te voeren. Daardoor komen in de opperhuid  van de tak 2 gebogen groefjes tot stand die elkaar niet snijden. Een ander orgaan zal dan aan de bovenzijde van de groefjes een gaatje frezen zodat een hoefijzervormige figuur in de bast ontstaat. 
Met het insteken van de ovipositor komt zo een klepje uit de opperhuid van de tak los waarachter de eieren nu dieper in de bast worden gestoken. Achter zo’n klepje worden in de regel 4 langwerpig ovale eieren met een lengte van rond de 2 mm geplaatst. Uitzonderingen tot 6 eieren zijn mogelijk. Van de 4 eieren worden er 2 links en 2 rechts gestoken. Daarna schuift het paartje enkele mm naar beneden op, waarna de volgende legopening wordt aangezaagd. Zo kunnen er rijen ontstaan van 50 leggaatjes. 

Er blijkt bovendien een strak regelmatig patroon te bestaan bij het insteken van de eitjes. Dit bestaat erin dat bij het vullen van een leggaatje de eerste 2 eieren steeds langs dezelfde zijde worden gestoken als de laatste 2 eitjes van het vorige leggaatje.
Dit ei-leggen heb ik in 1998 voor de eerste keer aan de poel kunnen waarnemen en duurde van 21 tot  28 september. Hoe zonniger en windstiller het was, hoe meer libellen aanwezig waren en op een volledig bewolkte dag kwamen de insecten niet naar het water afgezakt. Wat mij vooral opviel was de rust die de dieren uitstraalden en hun gebrek aan schuwheid. 

Eenmaal hun belangrijkste taak als imago vervuld, zullen deze spoedig sterven, terwijl de toekomst van de soort verscholen zit onder de schors van jonge twijgen. Op 18 oktober nam ik de laatste Houtpantserjuffer waar. Tijdens jaren met een zonniger herfst worden er nog exemplaren tot in november waargenomen.

 

Periode als ei
Wat de ganse winter en lente zichtbaar zal blijven zijn de rijtjes opzwellingen van de schors waaronder de eieren werden geplaatst. Links en rechts van elk aanboorgaatje is een lichte verhevenheid van de schors te zien, de hoek  ertussen meet ongeveer 120 °. Onder elk bultje zitten 2 eitjes die ideaal beschermd zijn tegen winterkoude  tot -30° C. Deze ribbige galachtige opzwellingen worden procecidiën genoemd ofwel voorstadium-gallen. Daar er noch een parasitaire, noch een symbiotische relatie bestaat tussen de eieren en de plant (de eieren zullen de tak in de lente verlaten zonder op de plant ingewerkt te hebben; het ei heeft de plant alleen als schuilplaats gebruikt) heeft men niet met echte gallen te doen. 
In het “Gallenboek” van Docters van Leeuwen (1982) zijn deze voorstadium-gallen beschreven onder nummers 88 (bij Els) en 620 (bij Appel). 

Door deze voor de libel unieke overwinteringsplaats blijken de eieren beter beschermd tegen allerlei parasieten die in waters veelvuldig voorkomen. Ook het uitdrogen van het ei door bevriezing van het water of door droogvallen van de plas wordt door deze strategie vermeden. Bovendien is het ei zo beschermd tegen waterprooidieren die gespecialiseerd zijn in het opsporen van libelleneieren. 

In de winter treedt er voor de eieren een rustperiode op. Gedurende de eerste warme dagen van maart begint de verdere ontwikkeling van het ei. Dan zijn op sommige houtsoorten de bruine uiteinden van de eieren duidelijk zichtbaar doordat de aanboringsgaatjes zich beginnen te verwijden t.g.v. de groei van de takken. Op een dag in april of mei barst het ei dan en kruipt de prolarve te voorschijn. De prolarve is het eerste stadium  van elke libellenlarve. Bij de Houtpantserjuffer is ze 1 mm lang. Ze ziet er uit als een mummie in een vlies gewikkeld. Wanneer ze zich uit het ei heeft gewrongen, blijft ze een ogenblik aan de schors plakken. Met een sprong wipt ze dan van de tak en valt dan soms  3 meter lager in het water.  

Ik heb mij al de vraag gesteld wat er met de prolarven zou gebeuren indien de oppervlakte van de poel tegen april fors zou verminderd zijn zodat zij na hun sprong op de oever zouden terechtkomen (deze veronderstelling bleek eind november niet reëel ). Deze prolarve kan echter meestal al springend  en spartelend het wateroppervlak bereiken. Hiermee kan ze enkele uren bezig zijn, omdat elk sprongetje dat ze maakt haar maximum slechts een paar cm ver kan brengen. Tijdens dit spartelproces sneuvelen velen. Eenmaal in het water terechtgekomen begint de vervelling onmiddellijk en de larve kruipt na enkele minuten uit haar oude huid.

houtpantserjuffer
eilegplaats

Periode als larve
Daar deze toestand zich gedurende een drietal maanden afspeelt in het water en moeilijk is waar te nemen zullen details weggelaten worden. Het volledige verhaal van de larvetoestand van Lestes viridis werd  in artikels van Geijskes  in “De Levende Natuur” beschreven. In totaal doorloopt de Houtpantserjufferlarve  10 stadia van vervelling, waarvan de laatste het imago levert. Dit uitsluipproces heeft ‘s morgens op een takje of stengel plaats die uit het water steekt en duurt een 20 minuten. Na een halve dag is het lichaam  metaalglanzend groen gekleurd en kan het imago de wereld invliegen.

 

Nawoord
Persoonlijk vind ik in het leven van de Houtpantserjuffer de meest spannende periode deze voor het paren en eierleggen waarbij beide geslachten afzonderlijke groepen vormen en elk mannetje na strijd een territorium gaat opbouwen.
In de computerzaak heb ik nog altijd geen spel gevonden waarvan het scenario gebaseerd is op deze levensloop, alhoewel het voor handige softwarejongens niet moeilijk moet zijn er iets heel spannends van te maken. Een titel als  “The struggle of the Dragonflies” moet het doen.

In afwachting ben ik echter verplicht de natuur in te trekken en passief het leven van niet-virtuele libellen gade te slaan. Misschien kan dit mij ondertussen ook wel genoegdoening geven.

 

Tekst en foto’s van:
Vandevenne  Michaël

 

 Voor inlichtingen, waarnemingen of andere gegevens mail naar insecten@noorderkempen.be 

 

[home][contact]