PTT en Meeuwen

 

 

Het PTT-project heeft de bedoeling vast te stellen welke aantallen vogels van welke soorten in Vlaanderen overwinteren. Door jaar na jaar te tellen wil men zo de negatieve of positieve ontwikkelingen vaststellen. Van daar kan men op redelijke gronden in de toekomst kijken en wordt gehoopt door maatregelen negatieve ontwikkelingen te kunnen ombuigen. De nadruk ligt dus op de veranderingen en minder op: 'hoeveel vogels overwinteren er nu juist?'. Voor dit laatste bestaat in het geval van meeuwen alvast een betere methode, namelijk tellen op de slaapplaatsen.

 

In het Natuur.Oriolus nummer van september 2002 verscheen een overzicht van zulke slaapplaatstellingen. Ze werden voor het eerst uitgevoerd in 2000, iedere keer rond eind januari. In 2001 werden 166.522 vogels geteld op 15 slaapplaatsen. In 2002 249.557 vogels op 20 slaapplaatsen. Die slaapplaatsen liggen in schorren en overstromende graslanden, maar veel meer nog in havengebieden, zandwinningputten en waterspaarbekkens. Op het spaarbekken van Merkem in West-Vlaanderen sliepen over de drie teljaren gemiddeld elk jaar 70.000 vogels. Het gaat om kokmeeuwen en stormmeeuwen en in mindere mate zilvermeeuwen. Kleine en Grote mantelmeeuwen zijn schaarser en slapen vooral bij de kust.

 

Hebben de PTT-tellingen hier iets aan toe te voegen?

We kunnen gerust zeggen dat de vogels die bij ons geteld worden heel waarschijnlijk niet in de slaapplaatstellingen voorkomen. Op weinig uitzonderingen na, komen die 's ochtends vanuit het West-Zuid-Westen tot het Noordwesten aanzeilen om in de wei- en bouwlanden hun kostje te zoeken. 's Avonds zie je ze overigens in omgekeerde richting overtrekken. De slaapplaatsen liggen in Zeeland of misschien Noord-Brabant.

 

De lokale PTT-tellingen bekijken we dus beter apart.

Wat leren ze?

Uit de Kalmthoutse Heide valt (behalve overtrekkers) weinig te melden. Uit de weilanden des te meer.

De enige soorten die tijdens de PTT-tellingen gezien werden zijn Kokmeeuw, Stormmeeuw en Zilvermeeuw. Als je oude nummers van De Korhaan nakijkt zal je ook hier en daar waarnemingen zien van een Grote Mantelmeeuw. Vaker nog zijn er Kleine Mantelmeeuwen. Op 22 februari 1992 werden er zelfs 172 geteld. Eén keer, op 7 februari 1993 werd een Geelpootmeeuw gesignaleerd. Niet tijdens de PTT-tellingen dus.

 

Het tabelletje hieronder toont hoe vaak meeuwen aanwezig waren op een totaal van 79 tellingen.

 

 

Bij drie en een half uur rondfietsen heb je meer dan 50% kans Zilvermeeuwen te zien en bijna 100% kans Kok- en Stormmeeuwen langs je weg te vinden. Enkel in putje-winter op hardbevroren grond geven ze wel eens een keer verstek. In februari ontbraken ze nooit.

 

De gemiddelde aantallen per telling (één telling is de som van 20 telpunten) bedroegen van 1989 tot 2002 voor de Kokmeeuw 193, voor de Stormmeeuw 123 en voor de Zilvermeeuw 3.8.

Maar gemiddelden zijn misleidend.

 

 

 

 

 

 

Eerst de Kokmeeuw.

In figuur 1 zien we dat in 1995 de aantallen ineenstortten. Tijdens de jaren 89-94 bracht elke telling gemiddeld 349 vogels op. Vanaf 1995 tot 2002 was het gemiddelde 95. Blijkbaar hebben de Kokmeeuwen hun overwinteringsgebied verlegd. Nu zijn grote schommelingen al lang bekend. Zo leverden PTT-tellingen voor heel Nederland in 1981 slechts 35% op van de vogels het jaar daarvoor en het jaar daarna. Nadien zette een geleidelijke maar minder spectaculaire daling in. Zulke daling is ook uit Denemarken bekend. Overigens was de Kokmeeuw in Nederland de talrijkste wintervogel met gemiddeld over de periode 1980-1994 276 vogels per telling.

De schok in de Noorderkempen lijkt dus lokaal. De reden is niet duidelijk. De gegevens voor geheel Vlaanderen zijn nog niet uitgewerkt en kunnen daar mogelijks meer licht op werpen. We kunnen wel zeggen dat ook na 1995 de aantallen per route in onze regio nog bijna het dubbele bedragen van die over geheel Vlaanderen. Merken we nog op dat deze wintertellingen net eindigen voor de periode waarin grote zwermen Kokmeeuwen naar oostelijker gelegen broedplaatsen trekken. Vanaf de laatste week van februari tot begin april werden dan gedurende enkele dagen tot weken concentraties gezien van soms meer dan 1000 vogels op één plaats. Vanaf 1995 was het hoogst gemelde aantal hier 590 (in 96).

 

De Stormmeeuw

De Stormmeeuw vertoont een heel andere ontwikkeling.

Van 1989 af zijn de aantallen stelselmatig en de laatste jaren explosief toegenomen vanaf ongeveer 50 tot meer dan 250 per telling. De laatste jaren is de Stormmeeuw dus beduidend talrijker dan de Kokmeeuw. Dit in tegenstelling tot de gemiddelden voor heel Nederland of heel Vlaanderen. In Nederland vermeldt de periode 1980-1994 bijna vier maal zoveel Kokmeeuwen als Stormmeeuwen. In Vlaanderen is dat voor 2000-2001 tweemaal zoveel Kok-, namelijk 54 tegenover 26 Stormmeeuwen.

In deze streek hebben dus veel Stormmeeuwen hun foerageergebied. Je komt ze wel elke dag tegen. Rond mijn huis verschijnen ze de laatste vijf jaar in kleine groepjes vanaf de derde week van juli. De laatste verdwijnen in april. Groepen van enkele honderden zijn 's winters heel gewoon. Vooral in maart, de top van de terugtrek, zijn de laatste jaren groepen met meer dan 1000 vogels te zien.

De toename loopt parallel met de toename van de aantallen broedparen in Vlaanderen. Oriolus meldde daarover dat de eerste broedende Stormmeeuw in 1924 gesignaleerd werd in het Zwin. Pas in 1976 was daar een tweede broedgeval. Van dan af namen de aantallen stelselmatig toe, aan de kust en later ook in Limburg. In 2001 werden 54 broedparen vastgesteld. De curve ziet er sprekend uit zoals het grafiekje hierboven. Als er een verband is zullen het eerder groeiende aantallen overwinteraars zijn die de broedgevallen doen stijgen. Pas wanneer het aantal broedgevallen veel hoger wordt zou ook het effect van stijgende broedgevallen op de winteraantallen zichtbaar kunnen worden. In dit geval is de kip er voor het ei.

 

Tenslotte de Zilvermeeuw.

Zilvermeeuwen verschijnen veel minder talrijk en zijn vooral bekend van de luidruchtig klieauwende groepen. Gemiddeld per telling werden minder dan vier Zilvers gezien. Per jaar sprongen die gemiddeldes heen en weer tussen minder dan 1 tot 8 zonder dat er een lijn in te bekennen viel. Opvallend was wel dat de aantallen van november tot februari toenamen, opvallender dan we bij de andere meeuwen reeds vermeldden. Hoe opvallend zie je in onderstaand tabelletje.     

 

 

Koen Verschoore