PTT en tuinvogeltjes.

 

 

In deze tijd van het jaar heeft bijna iedereen een voederplaatsje in de tuin of op het balkon. Nu en dan eens door het raam blikken volstaat om een idee te krijgen over welke vogeltjes zich 's winters rond het huis ophouden. Althans welke soorten zich bij de voedertafel wagen. Natuurlijk zijn er ook andere methodes om na te gaan welke soorten en aantallen hier de winter doorbrengen. Er wordt op tal van manieren geteld en er komen nationaal en internationaal ettelijke gegevens over beschikbaar.

 

Þ      Zo houdt de Royal Society voor vogelbescherming in Engeland sinds 1979 in de tweede helft van januari tellingen in tuinen, op speelplaatsen of andere open terreinen midden de bewoning. Daar wordt elk jaar gedurende een uur genoteerd wat er te zien is. Op 27 januari 2002 of in de daaraan voorafgaand week namen niet minder dan 262.000 (tweehonderdtweeenzestigduizend) personen verdeeld over 137.231 tuinen deel. De resultaten staan op internet (www.rspb.co.uk). (Bron 1).

 

Þ      Zo zag je misschien in Natuur.blad van september-oktober 2002 dat ook over heel Vlaanderen geteld wordt. Van 1 oktober tot eind maart worden het maximum aantal voederplaatsbezoekers per soort elke week genoteerd. Het laatste seizoen kwamen de gegevens uit 266 tuinen. (Bron 2).

 

Þ      Zo weet je - maar misschien ben je het reeds vergeten - dat ook in het gebied van afdeling Noorderkempen waarnemingen in tuinen verricht werden. Die liepen over het hele jaar en de hele tuin, niet enkel de voederplank. De resultaten werden gepubliceerd in een aantal Korhanen uit de periode 1994-98. Het ging over 5 tot 8 tuinen uit de streek. We lichtten er de gegevens van de periodes december tot en met februari uit. (Bron 3).

 

Þ      Zelf noteerde ik in de jaren 1998 tot 2002 welke soorten ik in elke voorbije week in de eigen tuin gezien had. Dit was een tuin zonder voederplank. (Bron 4).

 

Er zijn nog meer opgeschreven gegevens.

Þ      Zo ringt Flor Van Meel ook buiten het broedseizoen en het trekseizoen wel eens vogels 's winters. Ringers zijn noodgedwongen ook goede boekhouders en noteren zorgvuldig.

Þ      En in het asielcentrum van Frans Broos en zijn vrouw worden het hele jaar door slachtoffers binnengebracht. Ook die staan in de boeken. Ze komen wel uit een groot deel van het land en zelfs uit Nederland maar de vindplaats en datum is meestal vermeld.

Þ      Zo heb je tenslotte ook de PTT-tellingen die één keer in elk der maanden november, december en februari, de vogels over trajecten in Vlaanderen (en Nederland) noteren. Drie daarvan lopen in het gebied der Noorderkempen (Bron 5).

 

Al die tellingen hebben een verschillend doel, gebruiken een verschillende methode. Je kan de resultaten dus niet zomaar vergelijken. Maar alle samen geven ze een beeld. En het is aardig om zien of dat beeld klopt met wat we reeds zonder tellen zelf ervaren hebben en, op het gevoel af, menen te weten.

We beperken ons hier tot de kleine tuinvogels, zeg maar ter grootte van een vink of minder.

Als ik je vraag welke soorten kleine vogels je 's winters in de eigen tuin of die van de buren vaakst ziet dan is de kans groot dat je zonder veel piekeren antwoordt: Roodborstje, Koolmees, Pimpelmees, Vink. En misschien voeg je daar ook Huismus, Winterkoning en Heggemus aan toe.

En dat klopt met de tellingen.

 

Onderstaande tabel toont wat onze bronnen te zien gaven:

 

 

De laatste drie kolommetjes slaan op de situatie in het gebied van de Noorderkempen.

 

De Vink is ongetwijfeld de “winterkoning” van onze streek. Dat is nog veel duidelijker wanneer we in aantallen denken. Het gemiddeld aantal vinken per PTT-telling was hier 35.

 

Op de tweede plaats komt de Koolmees. En het Roodborstje vervolledigt het podium. Ook die twee zijn allebei niet enkel tuinvogels maar vogels van het hele gebied. Zo zomer als winter overigens.

In aantallen overtreft de Koolmees het Roodborstje. Per telling werden in de heide gemiddeld 4,9 stuks genoteerd en in het ander terrein 5,8. Voor het Roodborstje bedroegen de aantallen respectievelijk 2,8 en 2,3.

In de heide overtroefde de Pimpelmees bij de tellingen van de gebroeders Jacobs trouwens, met gemiddeld 6,2 stuks per telling, zowel de Koolmees als het Roodborstje. In het gewoon gebied haalt ze nog 1,5. Ook in de Engelse steekproef stond de pimpelmees in aantal aan de top. Tegenover 369.561 vinken, 230.490 koolmezen en 196.365 roodbostjes stonden 454.962 pimpels. Enkel de Huismus deed er met 673.279 stuks nog beter.

 

Die Huismus is een geval apart. Het is in de winter nog meer dan 's zomers een echte samenscholer. Daarom zie je huismussen minder vaak ook al zijn er betrekkelijk veel. Bovendien komen ze meer voor rond erven en stallen dan in de tuin. Met 19 stuks per telling in het dorp- en landbouwgebied zijn ze hier na de Vink de talrijkste soort. Maar op de heide hebben ze dan weer een dikke 0. In Essense en Kalmthoutse tuinen scoren ze laag. Waarschijnlijk is het vaker voorkomen in bron 2 te verklaren door een grotere stadsvertegenwoordiging.

 

Van de twee resterende bekende tuinvogeltjes Winterkoning en Heggemus lijkt deze laatste het talrijkst. Vooral in de tuin en bij de voedertafel of er onder) wordt ze meer gezien. De PTT-tellingen melden de 2 laatste winters gemiddeld in de heide 1,2 winterkoninkjes per telling en 0 heggemussen. In landbouwgebied was dat 1,1 Heggemus en 0,7 Winterkoning. Voor de hele provincie Antwerpen werden in dezelfde periode (89 tellingen) echter gemiddeld 4,0 heggemussen en 8,3 winterkoninkjes geteld. Voor heel Vlaanderen gaat ongeveer hetzelfde op. Waar schuilen die van ons gebied dan wel?

 

Tenslotte hebben we de mindere goden. In het lijstje namen we de Groenling op die nog verrassend veel gezien wordt. Verder zijn er ook in kleine aantallen (in alfabetische volgorde): Barmsijs, Boomklever, Boomkruiper, Goudhaantje (in de PTTtellingen op de heide met 100% vermeld maar ook in de tuinen soms present), Keep, Kneu, Kuifmees, Matkop, Putter, Ringmus (algemeen weinig vaak gezien maar in landbouwgebied met groepjes tot 60), Staartmees en Sijs. Zelfs de Zwartkop werd enkele keren overwinterend in de tuin gezien.

 

Flor Van Meel ving 's winters in (in)loopkooi of mistnet: Vink, Winterkoning en Roodborst. Maar verreweg het grootste aantal ringen waren voor koolmezen die hij slapend aantrof in nestkastjes. Soms werd dezelfde mees (herkenbaar aan de ring) jaren naeen in hetzelfde kastje teruggevonden. Ook Pimpelmees en Boomklever werden in kastjes aangetroffen.

 

Frans Broos liep nog eens zijn boeken na. Het bevestigde zijn vermoeden dat daar weinig van de hier besproken soorten zou te vinden zijn. Een verkleumd of tegen het raam gevlogen vogeltje geeft al vlug de geest nog voor het asielcentrum bereikt is. En zelfs al raakt het zo ver, meestal is de schade niet te herstellen. De totalen over 11 volle jaren (1989 t/m 1999) bedroegen 31 Vink, 30 Koolmees, 16 Pimpelmees, 6 Huismus en 6 Ringmus en slechts 6 Roodborst, 3 Winterkoning, 3 Heggemus.

Als je dit vergelijkt met 16 Geelbrauwgorzen, 14 Witkopgorzen, 5 Geelkeelgorzen en 1 Bonte gors, dan merk je wel dat dit een heel ander publiek is. Die heb ik geen van alle ooit gezien. Toch is het geen mop.

De 134 Putters, 78 Sijsjes, 49 Groenlingen, 46 Kneu's, 33 Goudvinken en 26 Barmsijsjes uit het asiel maken duidelijk dat het hier om illegaal gehouden en door de overheid aangeslagen vogels gaat.

 

Bij de kraaiachtigen konden we bij de PTT-tellingen een uitgesproken vermindering van overwinterende aantallen ekster, zwarte kraai en roek vaststellen. Voor de hier besproken kleine vogeltjes zien we alleen maar sterke schommelingen maar geen duidelijke afname of toename in de tijd. Het is wachten op de uitwerking van de landsresultaten om te zien of daar een ontwikkeling uit naar voor komt.

 

Koen Verschoore

november 2002