|
Vanaf
half september tot laat in de herfst en dan weer in het vroege voorjaar
horen we de boomklever van zijn oren maken. Tenminste, als je een tuin
met “standing” hebt, want je moet enkele oude loofbomen hebben.
Niettegenstaande we in onze buurt en in het bos meerdere boomklevers horen,
is hij niet erg gesteld op gezelschap. Hij leeft het liefst solitair en
jaagt consequent iedere indringer weg.
In grotere gebieden, zoals parken, hoor je dan ook geregeld burenruzies en
onderlinge “scheldpartijen”. Zijn domein is zijn domein en dat wenst hij
met niemand te delen. Hij verkondigt dat zelfs als hij van boom naar boom
vliegt.
En boomklever die men in zijn eigen territorium in een kooi vangt, schreeuwt
moord en brand, maar, een indringer die men daar vangt, geeft geen kik! Die
weet maar al te best dat hij zich op verboden terrein bevindt!
| Zijn
naam verraadt zijn manier van voortbewegen
en is ook ontleend aan zijn speciale
nestbouw. Hij kleeft als het ware tegen de boom en hij is de enige
Europese vogel die in staat is om met zijn kop naar beneden de stam af te
dalen en om langs de onderkant van horizontale takken te lopen. Om af te
dalen grijpt hij de boomstam met één poot telkens wat lager vast, terwijl
hij zich boven nog vasthoudt met de andere poot. Ook bij het omhoog klimmen
verplaatst hij zijn poten om beurt. Zijn korte staart gebruikt hij niet om
te steunen, hij rekent volledig op zijn sterke poten en klauwen.
|
 |
Hij
is in feite een alleseter, want
hij voedt zich met zaden, hazel- en beukennoten, eikels en insecten. Deze
laatste zoekt hij op de stammen van de bomen.
Als hij noten of zadenheeft gevonden, klemt hij ze in een spleet van de
schors en hakt ze dan open. Hij doet dit zelfs met kleine huisjesslakken.
De boomklever hamstert ook
voedsel voor slechtere tijden.
Als
er voldoende voedselaanbod is van zaden en noten, dan verstopt hij ze in de
spleten van de bomen en in alle andere hoeken en gaten binnen zijn
residentie. Daarom heeft hij ook een voorkeur voor bomen met een ruige bast,
zoals eiken en robinia’s.
Zo legt hij een wintervoorraad aan op zijn terrein. Niet moeilijk dat hij zo
hevig zijn gebied verdedigt: wie laat nu graag zijn voorraadkast plunderen?
De
felle verdediging van zijn
woonzone heeft nog een andere oorzaak. Alle boomklevers beginnen zowat
gelijktijdig te broeden en de jongen vliegen in heel het land op bijna
hetzelfde ogenblik uit. Als die jonge rakkertjes gaan op zoek naar een eigen
territorium, liefst zo dicht mogelijk in de buurt van het ouderlijk huis. Je
begrijpt dat het dan drummen is geblazen want zoveel plaats is er niet.
Vanaf juli begint de eigenlijke strijd om een woongebied en de laatste
beslissingen vallen meestal tegen het einde van februari.
Als
ze dan geen gebied weten te
bemachtigen komen ze terecht in de marginaliteit,
want dan moeten ze de winter doorkomen aan de rand van een bestaand
woongebied, wat toch behoorlijk wat risico’s inhoudt.
Wanneer ze niet worden gestoord, blijven de paartjes
meestal levenslang bij elkaar.
De
boomklever is een holenbroeder. Hij gebruikt als slaapplaats en nestplaats
meestal een oud hol van een bonte specht.
Net als de vleermuis
klauwt hij zich vast en hangt dan geregeld met zijn kop naar beneden om te
slapen. Waarom hij dit slechts af en toe doet, is niet bekend.
Goed,
als mannetje en vrouwtje een geschikt spechtenhol hebben gevonden, begint
mevrouw met de veranderingswerken.Hierin
verschillen zij niet van de mensen. Als een koppel een bestaand huis intrekt
beginnen ze met te veranderen.
Vooreerst begint dame boomklever te werken aan de voordeur. Het vlieggat is
te groot en moet worden verkleind. Zij maakt daartoe een metselspecie,
bestaande uit modder, leem, klei, dierlijke uitwerpsels en plantenstengels,
vermengd met haar speeksel. Dit mengsel is, als het is gedroogd, beenhard.
Zij pleistert dus de voordeur zodanig dicht dat de opening maar net groot
genoeg is om haar zelf binnen te laten.
Eens de voordeur afgewerkt pakt zij ook de binnenkant grondig aan. Alle
hoeken worden afgerond, waarbij zelfs stukjes hout worden ingebouwd, alle
kieren worden dichtgestopt en zij metselt een stuk boven de vliegopening
zodat het gat wordt omgevormd tot een gang en zij aan haar huis een echte
“in-gang” heeft.
Het metselwerk duurt ongeveer 14 dagen en het bouwsel dat daardoor ontstaat
kan 3 tot 5 kg wegen.
Nu
begrijp je ook waarom je niet kunt kijken in het nesthol van een boomklever.
Terwijl
ze metselt, bouwt ze ook het nest.
In feite is het geen echt nest, maar een hoopje dorre bladeren, vermengd met
schilfers schors. Dit alles wordt ook gebruikt om de eieren af te dekken als
mama het nest verlaat.
Het legsel telt gemiddeld 6 tot 8 eieren die een melkwitte ondergrond hebben
en bezaaid zijn met roodbruine en kastanjebruine stippen en vlekjes.
Het wijfje begint met broeden na het voorlaatste ei en broedt, zonder hulp
van manlief, alle eitjes uit in 15 tot 18 dagen.
Eens
de jongen zijn komen piepen, schiet papa
mee in actie en voedert mee zijn
kroost. De nakomelingen blijven, voor zo’n kleine vogel toch, tamelijk
lang in het nest: 23 à 24 dagen.
Zelfs nadat ze zijn uitgevlogen, verzorgen en voeren de ouders hen nog
gedurende 8 tot 10 dagen.
Dan
zijn ze zelfstandig en begint de grote zoektocht naar een eigen gebied.
“Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren” geldt ook voor jonge
boomklevers.
Vele
zullen de volgende lente niet halen!
Bert
Meynen
|