De natuur is geen drama ....
Het aantal vogels van een soort in een bepaald gebied is nooit constant. Het schommelt door allerlei factoren. 
Geboorte doet het aantal toenemen, sterfte afnemen. Slecht weer, gebrek aan voedsel, verstoring en nog veel meer is allemaal van invloed op het aantal vogels op een bepaald moment.

Een goed moment van tellen is het voorjaar, juist voor de soort aan het broeden slaat. 
De broedparen zorgen immers voor de nakomelingen. Wanneer men dan in het voorjaar daarop weer alle broedparen van een soort telt, kan men zeggen of het totaal aantal vogels van een soort (=de populatie) is toegenomen of afgenomen. 
Bij de meest vogelstudies wordt het aantal broedparen in het voorjaar als uitgangspunt genomen om te kijken of het een soort goed gaat of niet. 
We hebben gezien dat sneeuwuilen niet in staat zijn alle lemmingen in hun gebied uit te roeien en dat in feite het aantal sneeuwuilen door het aantal lemmingen wordt bepaald en niet andersom. Dat geldt voor alle relaties tussen prooidieren en hun belagers.

Sperwer
mannetje Sperwer

Daarmee is nog niet de vraag opgelost of het aantal dieren in een gebied groter zou zijn als er geen prooidieren waren. 
Het ligt voor de hand te veronderstellen dat dieren een zeker percentage 'inleveren' en wie ziet dat sperwers in een bepaald gebied één derde van alle jonge pimpel- en koolmezen opeten, benevens een aantal volwassen vogels, moet wel tot de conclusie komen dat de mezen flink 'inleveren'.

Het geval van de koolmezen, pimpels en sperwers speelde zich af in Engeland in een 320 hectare groot gebied waar men gedurende 10 jaar alle mezen telde. 
Bij aanvang waren er geen sperwers, na 10 jaar echter had men al 8 broedparen. 
Het aantal mezen bleef al die jaren gelijk. Er was hier geen sprake van het innemen van de opengevallen mezenplaatsen door mezen van elders.

Ook in Nederland werd dergelijk onderzoek verricht. 
In een bepaald gebied werden vier jaar achterelkaar de koolmezen geteld. Dat waren in die vier jaar gemiddeld 52 broedparen.
In de volgende vier jaar speelde de onderzoeker zelf voor predator door elk jaar 60 procent van het aantal uitgevlogen jongen te verwijderen. Het aantal broedparen bleef in die jaren gemiddeld 53!!

Deze opmerkelijke uitkomst werd bereikt door het feit dat de koolmezen in dat gebied ouder werden. Ook hier was geen sprake van opvulling door mezen van elders.
Je kunt zelfs stellen dat er geen opengevallen plaatsen waren. Daarvoor dient volgend rekensommetje. Stel dat een paartje koolmezen 8 jongen groot brengt. Aan het eind van het seizoen zijn deze mezen met zijn tienen.
Stel dat een roofvogel er daar zes, dat is 60 procent, van opeet en dat twee andere in de winter van honger omkomen. Dan kunnen er volgend voorjaar weer twee aan een nieuw broedsel beginnen. De predatie is weliswaar hoog maar heeft geen invloed op de populatie.

Havik
Havik

En zouden er meer mezen het volgend voorjaar hebben bereikt als er minder dan 60 procent was opgegeten? 
Waarschijnlijk niet. Er zouden meer mezen wegens voedselgebrek zijn omgekomen.

Toch wordt een groot percentage vogels nooit volwassen en sterven er ook volwassen dieren. 
De oorzaken zijn legio: honger; koude, ziekte, ongevallen, jacht, .. 
Als roofvogels de aantallen van hun prooidieren niet terug kunnen brengen, wat doen ze dan wel? Om het wat menselijk te zeggen: ze voorkomen leed.

Voor een prooidier is het vervelender om te komen van honger, koude of ziekte, dan snel gedood te worden door de snavelhauw van een roofvogel. 
De relaties tussen prooidieren en hun belagers gaan echter veel verder dan de relatie tussen die twee alleen. Beide vormen onderdeel van een groter geheel. 
De koolmees zelf is ook een predator, namelijk het onnoemelijke aantal insecten dat hij zelf eet en voor zijn jongen aansleept. Bij een overschot aan koolmezen zou een gebrek aan insecten optreden waardoor er het jaar daarop minder koolmezen zouden zijn.

Koolmees
Koolmees
Niet alleen de koolmees zou te lijden hebben onder het door hem veroorzaakte tekort aan insectenvoedsel, maar alle andere diersoorten die van dezelfde insecten moeten leven. 
Bij een overschot aan koolmezen zouden vogels die dezelfde broedplaatsen bewonen het heel zwaar krijgen en er zou geknokt worden voor iedere vierkante centimeter.

De natuur is niet gebaat bij instabiliteit.
In een natuurlijke levensgemeenschap ontstaat een ingewikkeld netwerk van relaties waarin de ene soort nooit de overhand krijgt op de andere. 
Alles is op elkaar afgestemd en in balans (dit geldt uiteraard niet voor de mens).

Daarom is het geen drama als een sperwer voor uw ogen een mus of koolmees van de voedertafel grist. 
In feite wordt u uitstekend beloond voor uw goede zorgen!!

 

Herman Jacobs
vogels@noorderkempen.be

 

 

[home][contact]