|
Thijsse
schrijft:
"Een troep mussen heeft na een rijke maaltijd niets anders meer te doen
dan in het zonnetje te zitten. Eén zegt er "tsjilp", een ander
zegt ook wat en het duurt niet lang of het hele gezelschap is aan het
woord!"
 |
De
mussen zijn waarschijnlijk wel de meest bekende vogels. Wij zien ze zo
vaak dat we er niet bij stilstaan hoe mooi ze in feite zijn. Ze hebben
allerlei warme, licht- en donkerbruine kleuren en geen twee vogels
zijn hetzelfde. Aan de kleine, witte veertjes kan je ieder individu herkennen, want die veertjes verschillen
bij elk exemplaar. |
Zij
volgen de mensen overal en de mens op zijn beurt is zo verknocht aan die
tjilpende, lawaai makende en rusteloze vogeltjes dat hij ze ook meeneemt op
zijn reizen naar verre landen en vreemde continenten.
Enkele paartjes werden in 1850 en 1851 in New York en Boston losgelaten en
in 1888 bewoonden ze al bijna heel Noord-Amerika.
In Australië werden de eerste mussen ingevoerd tussen 1863 en 1872 en
tegenwoordig zijn er niet veel streken meer in de wereld waar ze niet
voorkomen.
Er is zelfs een kolonie mussen geweest die in een mijn in Yorkshire onder de
grond leefde. De diertjes leefden van de etensresten van de mijnwerkers.
Toch
wel eigenaardig dat we ze aantreffen in de hele wereld, als je weet dat de
huismussen in feite echte “huismussen”
zijn: ze verblijven hun hele leven in een straal van enkele honderden meters
van hun woonplaats. Men heeft waargenomen dat hele kolonies stadsmussen
gedurende de tijd dat het graan rijp is, op vakantie gaan naar de
boerenbuiten.
In feite is de mus een alleseter. Op het platteland voedt hij zich met
graan, zaden, knoppen van bomen, fruit, insecten en larven.
De mussen in de stad zoeken hun voedsel in etensresten van de mensen.
Vroeger
zochten ze naar zaadjes in paardenvijgen, maar aangezien de paarden uit het
stadsbeeld zijn verdwenen hebben de mussen zich aangepast aan het veranderd
stadszicht en zoeken ze nu naar zaden en etensresten in hondenpoep! Dit maar
om aan te tonen dat mussen zeer
flexibel en veranderingsbereid zijn.
De
jongen hebben echter wel dierlijk voedsel nodig. De pas uitgekomen
nakomelingen worden eerst gevoed met insecten uit de krop (die klein zijn
gemaakt) en later, als ze wat groter zijn, met hele insecten uit de snavel.
Voor
er echter jongen zijn moet er worden gepaard.
Vooraleer het mannetje echt nog maar aan paren of baltsen mag beginnen te
denken, moet hij zorgen dat zijn toekomstige een deftige woning heeft om in
te trekken. Woningen die gemakkelijk toegankelijk zijn (zoals de onderste
rij dakpannen, richels van gebouwen, ...) zijn favoriet bij de vrouwtjes,
want tenslotte zullen zij het nest bewonen.
Het
nest is een wat rommelige verzameling van stro, plantenstengels,
stukjes stof en veertjes. Huismussen die in bomen wonen bouwen hun nesten
heel anders. Bij hen zijn het stevige, koepelvormige bouwsels met een
zij-ingang, op een veilige afstand boven de grond.
 |
Hoe
dan ook, het mannetje moet een nest kunnen aanbieden want anders komt
het niet tot paarvorming. In grote, dichte kolonies zijn er heel wat
mannetjes, die bij gebrek aan een geschikte nestelplaats, op hun
honger blijven zitten. Daarom ook moet het mannetje alert zijn bij het
bewaken van de nestplaats, want als hij een paar uur de deur uit is,
wordt zijn woning gekraakt door een nestloze buurman. |
Vanaf
februari kan je het baltsen bij
de mussen opmerken.
Het mannetje laat zijn vleugels hangen en richt zijn staart heel hoog op,
bijna loodrecht naar boven. Terwijl hij luid tjilpt nadert hij in die
houding het wijfje. Als het wijfje niet bereid is tot paren, neemt ze een
dreighouding aan, tjilpt even luid terug en pikt naar het mannetje. Andere
mannetjes in de buurt horen dit kabaal, weten dat de potentiële minnaar
wordt afgewezen en komen ook hun kans wagen. Zo kan het gebeuren dat er wel
een tiental mannetjes staan te baltsen rond dat ene wijfje. Deze ziet al die
hoog opgerichte staarten niet erg meer zitten en gaat er als de bliksem
vandoor.
Vindt
het wijfje dat het baltsende mannetje haar wel aanstaat, dan inspecteert ze
de aangeboden nestruimte en als die haar bevalt geeft ze zich over aan de
paringsdrift van manlief. Op dat ogenblik begint een duurzaam
huwelijk, want paartjes blijven elkaar levenslang trouw. Alleen als de
partner wegvalt (door de kat of door een auto bijvoorbeeld) wordt de open
plaats direct ingenomen door een ander exemplaar.
Binnen
het huwelijk gaat het er wel nogal hevig aan toe, want ze paren voortdurend
en op alle plaatsen. Het koppel is zelfs min of meer exhibitionistisch
ingesteld, want zij copuleren het liefst op goed zichtbare plaatsen, in de
dakgoot of midden op straat en bovendien tientallen malen achtereen.
 |
In
het huwelijksleven draagt
het vrouwtje de broek: zij heeft het voor het zeggen en wanneer manlief
zijn echtelijke plichten heeft vervuld mag hij buiten gaan slapen.
Mussen staan bekend als langslapers:
binnen de vogelsoorten in de buurt gaan zij het vroegst naar bed en
zij staan als laatste op. |
Het
vrouwtje slaapt op het nest in afwachting van de eieren en de jongen.
Afhankelijk van het voedselaanbod worden kort na elkaar jaarlijks, van
midden april tot begin augustus, 2 tot 4 legsels van 4 tot 6 eieren
grootgebracht. Zij variëren in kleur van wit tot grijsachtig wit met
spikkels die dan weer variëren van roodbruin tot grijsbruin.
Zowel papa als mama broeden om beurt gedurende een 14-tal dagen.
De jongen verlaten het nest na ongeveer 15 tot 17 dagen.
De pasgeborenen maken echter niet veel kans om te overleven. Slechts de
helft wordt sterk genoeg om uit te vliegen en nog eens de helft daarvan
leeft amper enkele maanden en valt dan ten prooi aan een predator.
Heb
je nog niet opgemerkt dat op de grond onder de dakpannen, waar mussen
nestelen, geregeld een mussenlijkje te vinden is?
Het is dan ook niet te verwonderen dat de mussen zo in de weer zijn om te
zorgen voor een nageslacht.
Zelfs uitgevlogen jongen komen nog om voedsel bedelen. Zij komen dan voor
hun papa staan, want mama is al weer bezig met een nieuw legsel, drukken
zich tegen de grond en laten hun vleugels trillen. Verleid door zoveel
hulpeloosheid laat papa zich dan verleiden tot voederen.
In
de zomer houden de mussen ervan om gezamenlijk
een bad te nemen. Elk plasje
water, hoe klein ook, is hiervoor geschikt. Ogenblikkelijk na het gewone bad
nemen ze dan een stofbad en dat is voor hen blijkbaar het summum van genot.
Huismussen
zijn zeer sociaal en leven het
hele jaar door in kleine zwermen. Ze zijn ook zeer babbelziek en hun getjilp
klinkt de hele dag door.
In het najaar sluiten zij zich aaneen en vormen grote zwermen. Zij vermengen
zich soms met groepen vinkensoorten om voedsel te zoeken. Daarom deelde men
vroeger de mussen ook in bij de vinken, maar tegenwoordig vormen ze een
aparte familie binnen de zangvogels: de Passeridae.
Als
er al eens ruzie is binnen de kolonie, dan gaat het meestal om voedsel of om
een wijfje. Eigenaardig dat er nooit
ruzies voorkomen tussen mannetjes
en vrouwtjes, maar steeds tussen vrouwtjes onderling of tussen mannetjes
onder elkaar. Het draait nogal dikwijls om een vrouwtje, want in een
mussenkolonie is er permanent een teveel aan mannetjes.
Door voortdurend getjilp geven de dominante mannetjes hun plaats aan in de
rangorde van de kolonie en wie niet van zijn paretten maakt telt niet mee in
de hiërarchie.
Zou het kunnen dat sommige van onze politici het mussenleven hebben
bestudeerd?
Doordat
de mussen zo veelvuldig voorkomen is het ook niet verwonderlijk dat er over
hen allerlei verhalen de ronde doen.
Waar het winterkoninkje en de roodborst hoog in aanzien stonden, hadden de
mussen een kwalijke reputatie.
De
mus deed, in tegenstelling tot de roodborst, geen enkele moeite om de
stervende Christus te helpen. Integendeel, hij maakte het de gekruisigde
zelfs lastig. Voor dit gedrag werd hij gestraft. Binnenin zijn lichaam
groeiden zijn poten aan elkaar vast en hij kon niet meer stappen, maar moest
voortaan huppen als een zakkenloper om zich op de grond te verplaatsen. Let
maar eens op: mussen stappen nooit maar huppen altijd.
Onze voorouders merkten ook de ongebreidelde geslachtsdrift op. Joost van
den Vondel (1587-1679) schreef daarom afkeurend over de “hete en geile
mussen” en vadertje Cats (Jacob Cats 1577-1660) vermeldde als oorzaak van
hun korte leven het feit dat ze zonder onderbreking paarden. Nozeman
vertelde ook over de hitsige mussen en verklaarde dat een vriend van hem
gezien had dat een mussenmannetje zijn wijfje binnen het uur twintigmaal
“bekende”.
Het eten van mussen stond dan ook alom bekend als een afdoend afrodisiacum,
een pepmiddel om het liefdesleven te stimuleren. Men drukte het als volgt
uit: “Mussen helpen een verzwakt man te paard”.
Het
nageslacht van de mussen werd op sommige ogenblikken zo omvangrijk dat er
gevaar bestond voor de graanoogst.
In de 18de eeuw werden op sommige plaatsen in Europa de boeren verplicht om
een vastgesteld aantal mussenkoppen in te leveren om een plaag te voorkomen.
Men
had niet graag mussen onder de dakpannen, want, in een huis waar de zwaluwen
nestelden zou de welvaart toenemen, maar in een huis waar mussen hun nesten
bouwden zou het niet goed gaan met de bewoners.
Bert
Meynen
|