De Zwartkop (Sylvia atricapilla)

Bekijk hem maar eens aandachtig, dan weet je ogenblikkelijk waar hij zijn naam vandaan haalt.
Bij de meeste Grasmussen (waartoe de Zwartkop behoort) en de Loofzangers, ziet men bijna geen verschil tussen het mannetje en het vrouwtje.
Bij de Zwartkop is dit wel zeer goed merkbaar: de pet van mijnheer is duidelijk verschillend van deze van mevrouw. Mijnheer draagt hier klaarblijkelijk de pet en niet de broek.

    vrouwtje Zwartkop

 

  mannetje Zwartkop

 

Bert 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

We treffen de Zwartkop aan in heel Europa, in Azië, in West-Siberië en aan de kusten van Noord-Afrika.
De vogels van de Middellandse Zee en Noord-Afrika blijven ter plaatse, terwijl hun soortgenoten uit de meer noorderlijke streken over hun hoofden heen naar Equatoriaal Afrika trekken.  

In de landen rond de Middellandse Zee noemt men hem ook de “vijgeneter”, omdat hij daar in de winterperiode omschakelt op deze vruchten. 

We stellen vast dat meer en meer Zwartkoppen in onze contreien blijven overwinteren. In het algemeen zijn het dan wel overwegend mannetjes. Het is echter maar een klein aantal, want de meeste exemplaren beginnen eind augustus, begin september de reis naar hun winterstreken.
Opvallend is hierbij dat ze vanuit onze streken 2 verschillende trekroutes hebben. Sommige trekken over het Iberisch schiereiland, langs de westkust van Afrika naar Senegal en de landen aan de Golf van Guinea, andere vliegen via Italië en Egypte naar Ethiopië en Somalië aan de oostkust van het zwarte continent. 

Vóór ze vertrekken doen ze een massale aanval op bessen, vooral op vlierbessen. Met hun lange, stevige bek zijn ze in staat om de bessen te plukken en zelfs sappige vruchten worden in stukken gehakt.
Op dat ogenblik zijn er minder insecten en bessen bevatten veel suiker. Vooral in vlierbessen zit een behoorlijke hoeveelheid suiker en dit kan gemakkelijk worden omgezet in een vetreserve, die nodig is om de lange trektocht te overleven.
 

Vanaf half maart horen wij hier weer zijn prachtig, melodieus gezang. Zijn lied lijkt veel op dat van de Tuinfluiter maar is behoorlijk wat korter. Het duurt hooguit een vijf- tot zevental seconden, en de Zwartkop begint aanstonds opnieuw, wat de Tuinfluiter niet doet.
Het is niet altijd gemakkelijk zijn zang te herkennen, want de gluiperd imiteert ook andere vogelsoorten. Bij een wedstrijd om de mooiste zang, zou de Zwartkop zeker in de prijzen vallen.
 

Na zijn aankomst in zijn broedterritorium begint het mannetje met de bouw van verschillende nesten. Hij doet er echter niet al te veel aan dood, hij legt enkel de grondvesten. Fier als een pauw toont hij het wijfje, dat enige dagen later arriveert, zijn fundamenten. Het wijfje kiest de plaats de woning die ze dan beide afwerken. Hierbij moet wel worden gezegd, dat het wijfje het leeuwendeel van de bouwarbeid voor zich neemt. Zij construeren het “gezamenlijk” nest dicht bij de grond, zowat tussen een halve en anderhalve meter hoogte. Het nest ligt bijna altijd aan de oostkant van de struik, om na de koude nacht te kunnen profiteren van de eerste zonnewarmte. 

Het wijfje legt 4 tot 6 eieren die in 10 tot 15 dagen worden uitgebroed door zowel mama als papa. Nadien brengen zij ook samen de jongen groot, zodat ze na 10 tot 14 dagen het nest kunnen uitvliegen om op eigen pootjes te staan. Vader en moeder Zwartkop voederen dan hun jongen nog enkele dagen met hun favoriete schotel: een assortiment van naakte rupsen, gegarneerd met kleine larven en spinnetjes. 

Soms wordt in juli een tweede legsel grootgebracht, maar in onze streken is dit geen algemene regel. De jongen, die pas zijn uitgevlogen, zijn nog niet in het bezit van het kenmerkende hoofddeksel.  Dat krijgen ze maar eerst nadien als ze flink hun best hebben gedaan met eten! 

Ik heb hiervoor gesproken van een “gezamenlijk nest”. Bij de Zwartkop treffen we weer iets apart aan. Het mannetje heeft af en toe wat nood aan een beetje “privacy”. Om die te hebben bouwt hij voor zichzelf een eigen appartement: zijn “zangnest”. Dit nest is zijn toevluchtsoord, waar hij niemand anders toelaat en waar hij bij voorkeur zit als hij zijn zang laat horen. 

De relatietherapeuten hebben het altijd al gezegd: men moet elkaar wat ruimte geven!

Bert Meynen  

 

[home][contact]