| De Zwartkop (Sylvia atricapilla) | ||
|
Bekijk
hem maar eens aandachtig, dan weet je ogenblikkelijk waar hij zijn naam
vandaan haalt.
Bert
We
treffen de Zwartkop aan in heel Europa, in Azië, in West-Siberië en aan de
kusten van Noord-Afrika. In
de landen rond de Middellandse Zee noemt men hem ook de “vijgeneter”,
omdat hij daar in de winterperiode omschakelt op deze vruchten. We
stellen vast dat meer en meer Zwartkoppen in onze contreien blijven
overwinteren. In het algemeen zijn het dan wel overwegend mannetjes. Het is
echter maar een klein aantal, want de meeste exemplaren beginnen eind
augustus, begin september de reis naar hun winterstreken. Vóór
ze vertrekken doen ze een massale aanval op bessen, vooral op vlierbessen.
Met hun lange, stevige bek zijn ze in staat om de bessen te plukken en zelfs
sappige vruchten worden in stukken gehakt. Vanaf
half maart horen wij hier weer zijn prachtig, melodieus gezang. Zijn lied
lijkt veel op dat van de Tuinfluiter maar is behoorlijk wat korter. Het
duurt hooguit een vijf- tot zevental seconden, en de Zwartkop begint
aanstonds opnieuw, wat de Tuinfluiter niet doet. Na
zijn aankomst in zijn broedterritorium begint het mannetje met de bouw van
verschillende nesten. Hij doet er echter niet al te veel aan dood, hij legt
enkel de grondvesten. Fier als een pauw toont hij het wijfje, dat enige
dagen later arriveert, zijn fundamenten. Het wijfje kiest de plaats de
woning die ze dan beide afwerken. Hierbij moet wel worden gezegd, dat het
wijfje het leeuwendeel van de bouwarbeid voor zich neemt. Zij construeren
het “gezamenlijk” nest dicht bij de grond, zowat tussen een halve en
anderhalve meter hoogte. Het nest ligt bijna altijd aan de oostkant van de
struik, om na de koude nacht te kunnen profiteren van de eerste zonnewarmte. Het
wijfje legt 4 tot 6 eieren die in 10 tot 15 dagen worden uitgebroed door
zowel mama als papa. Nadien brengen zij ook samen de jongen groot, zodat ze
na 10 tot 14 dagen het nest kunnen uitvliegen om op eigen pootjes te staan.
Vader en moeder Zwartkop voederen dan hun jongen nog enkele dagen met hun
favoriete schotel: een assortiment van naakte rupsen, gegarneerd met kleine
larven en spinnetjes. Soms
wordt in juli een tweede legsel grootgebracht, maar in onze streken is dit
geen algemene regel. De jongen, die pas zijn uitgevlogen, zijn nog niet in
het bezit van het kenmerkende hoofddeksel.
Dat krijgen ze maar eerst nadien als ze flink hun best hebben gedaan
met eten! Ik
heb hiervoor gesproken van een “gezamenlijk nest”. Bij de Zwartkop
treffen we weer iets apart aan. Het mannetje heeft af en toe wat nood aan
een beetje “privacy”. Om die te hebben bouwt hij voor zichzelf een eigen
appartement: zijn “zangnest”. Dit nest is zijn toevluchtsoord, waar hij
niemand anders toelaat en waar hij bij voorkeur zit als hij zijn zang laat
horen. De relatietherapeuten hebben het altijd al gezegd: men moet elkaar wat ruimte geven! Bert
Meynen
|
||
|
[home][contact] |
||