|
Natuurkalender i/d Noorderkempen Onlangs startte Natuurpunt nationaal met het project
“Natuurkalender”, een online databank die de effecten van klimaatverandering
op de ‘fenologie’, zijnde de jaarlijks terugkerende
verschijnselen in de natuur, in kaart wil brengen.
Omdat in onze afdeling Noorderkempen reeds sinds geruime tijd door tal van leden vlinderwaarnemingen worden doorgegeven en verzameld, stelden we ons de vraag of we misschien zelf een dergelijk onderzoek konden verrichten. In dit eerste artikel over dit onderwerp zullen we een eerste verkennend fenologisch onderzoek toelichten, aan de hand van één vlindersoort. Deze eer viel te beurt aan het Oranje zandoogje.
Wanneer vlinderwaarnemingen worden doorgegeven wordt naast de soortnaam ook steeds de plaats en datum van verschijning vermeld. Waneer we van één soort deze waarnemingen per jaar voorstellen volgens datum, dan krijgen we, bij voldoende waarnemingen, een specifieke vliegperiode te zien, welke ondermeer afhankelijk is van het aantal generaties dat de soort kan voortbrengen binnen een jaar. Bijvoorbeeld voor het Oranje zandoogje is dit altijd slechts één generatie, waardoor deze vlinder dan ook enkel gedurende een korte periode in het jaar kan worden waargenomen. In de figuur hieronder zien we dat wanneer we alle waarnemingen die sinds 1993 in de Noorderkempen van deze soort werden opgetekend (bijna 1000 meldingen), uitzetten volgens de kalenderdag waarop de vlinders werden waargenomen, we inderdaad één vliegperiode terugvinden van eind juni tot eind september, met een vliegpiek rond 30 juli. Dit komt overeen met de literatuur die we over dit beestje terugvinden.
Waarom het Oranje zandoogje enkel uitvliegt in de zomer, hangt dan ook samen met de levenscyclus van deze vlindersoort. Wanneer de vlinders na de paring hun eitjes afzetten op hun waardplant (grassen), zullen na enkele weken de rupsen uitsluipen. Omdat deze rupsen zich zeer traag voeden en ontwikkelen, overwintert het Oranje zandoogje dan ook altijd als halfvolgroeide rups. Wanneer de temperaturen in het voorjaar terug stijgen, kunnen de rupsen zich terug beginnen voeden. Uiteindelijk zullen ze verpoppen om bij het begin van de zomer als volwassen vlinder uit te vliegen, ziehier een beknopte levenscyclus van het Oranje zandoogje zoals ook voorgesteld, begrijpen we waarom het Oranje zandoogje enkel in volle zomertijd door de natuurliefhebber wordt waargenomen, zoals enkele trouwe leden de afgelopen 15 jaar ondervonden hebben.
Fenologie in de periode 1993-2006 Aangezien onze waarnemingen teruggaan tot 1993, zouden we eens kunnen kijken of de fenologie gedurende deze periode veranderd is. Hier moeten we dan de waarnemingen per jaar gaan analyseren. Om na te gaan of de vliegperiode is opgeschoven nemen we de vliegpiek als maat voor de timing van de vliegperiode. Deze vliegpiek is het gemiddelde van alle waarnemingen en is biologisch gezien veel informatiever dan bijvoorbeeld de eerste of laatste waarneming van een soort, die veel sterker onderhevig zijn aan waarnemerseffecten en toevalsfactoren (bv. het microklimaat, verschillen in zoekintensiteit tussen jaren enz…). Een voorwaarde is uiteraard dat er per jaar steeds voldoende waarnemingen moeten gebeurd zijn om een duidelijke vliegperiode te onderscheiden. Het Oranje zandoogje voldeed ruimschoots aan deze voorwaarde (zie figuur).
De resultaten tonen ons dat de vliegpiek van het Oranje zandoogje tijdens de periode 1993-2006 in onze Noorderkempen inderdaad vervroegd is met zo’n 5 dagen (van 2 augustius naar 28 juli of gemiddeld 0,31 dagen per jaar).
Relatie met het klimaat Om te zien of deze variatie in fenologie al dan niet temperatuurafhankelijk is, kunnen we nu door middel van software en statistiek de timing van de vliegpiek relateren aan het verloop van de maandtemperaturen in onze contreien. Wegens het gratis ter beschikking stellen van temperatuurdata doen we hiervoor een beroep op onze gulle noorderburen (KNMI station Eindhoven). De resultaten van deze analyse melden ons dat voor de fenologie van het Oranje zandoogje vooral de temperaturen in maart, april en juli van belang zijn geweest. (78 % van de variatie in fenologie kan worden verklaard door de gemiddelde temperatuur in deze 3 maanden). Bovendien is er sprake van een sterk negatief verband: een warme temperatuur in deze maanden leidt steeds tot een vroegere vliegpiek. Wanneer we de gegevens meer in detail bekijken zien we dat de temperatuur in maart de grootste invloed heeft op de fenologie van het Oranje zandoogje (2,3 dagen vroeger per °C warmer in deze maand) en in iets minder mate april (-1,9d. / °C) en juli (-1,8 d/°C). Dat de opwarming van de aarde bij de vervroeging in fenologie een rol speelt blijkt mogelijk door het feit dat zowel april als juli tijdens de periode 1993-2006 een trend tot opwarming vertonen (in juli gemiddeld bijna 0.1 °C per jaar!). In volgende figuur is de fenolgie gerelateerd aan de temperatuuur in maart, april en juli. Hier zien we dat in het jaar 1996 (het enige echt koude jaar uit deze periode), ook de laatste vliegpiek werd opgetekend. In het zeer warme jaar 2003 viel de vliegpiek het vroegst.
Besluit Dit verkennend onderzoek naar de fenologie van het Oranje zandoogje in de Noorderkempen leert ons dat eenvoudig verzamelde waarnemingen ons iets kunnen leren over de relatie tussen fenologie en klimaat. De resultaten insinueren ook dat de vervroeging in fenologie te maken heeft met een toename in omgevingstemperatuur. In ieder geval spreken de resultaten de ‘global warming’ hypothesen niet tegen; onze vlinder vliegt vroeger, en er is een verband tussen temperatuur en fenologie: warmer betekent vroeger vliegen. Dit experiment vraagt dan ook om bevestiging en het wordt dan ook uitkijken naar de resultaten bij andere (courante) dagvlinders, die we u kunnen tonen in een volgende Korhaan-editie. Eventueel kan een dergelijk onderzoek ook toegepast worden op andere diergroepen (bv. trekvogels), afhankelijk van de bestaande gegevens. Zo ziet u maar dat al dat noteren van waarnemingen vroeg of laat toch nog van pas komt ! Wim Beyers |