|

|
Je
herkent hem aan zijn lange, diepgevorkte staart: net een hooivork.
Zijn
keel en voorhoofd zijn roodbruin, maar dat zie je niet in de vlucht.
|
De
verkenners komen hier enkele weken voor de huiszwaluwen aan: zo rond einde
maart. Het gros van de troepen volgt dan begin april, maar er kunnen soms
weken liggen tussen de aankomst van het eerste en het laatste paar.
Om van westelijk Afrika naar hier te vliegen hebben de mannetjes ongeveer
een maand nodig. De vrouwtjes komen wat later aan en vliegen er ook wat
langer over.
Zij zijn niet zo gehaast om te broeden, temeer omdat zij dit laatste
helemaal alleen moeten doen, zonder hulp van meneer.
Oorspronkelijk
broedden de boerenzwaluwen in rotsholen, maar stilaan hebben zij het
gezelschap van de mensen opgezocht.
Zij nestelen zich bij voorkeur in gebouwen, en dan nog liefst in gebouwen
waar het voedselaanbod gegarandeerd is, zoals schuren en stallen.
Zij leven zowel in kleine kolonies als solitair. En, als het enigszins kan
op dezelfde plaats en in hetzelfde nest als het jaar tevoren, of, als het
nest verdwenen is, in de onmiddellijke omgeving van de oorspronkelijke
plaats.
Toch telde men ooit in Duitsland 280 paartjes op één boerderij, wat dus
bepaald geen kleine kolonie is.
Men heeft boerenzwaluwen waargenomen die broedden in een café, ondanks de
rook, de muziek en het lawaai.
In de herberg van Bornheim nestelden ze tegen het portret van keizer
Frederik de Tweede en betoonden absoluut geen eerbied voor zijne keizerlijke
hoogheid.
 |
Zowel
mannetje als vrouwtje kwetteren er lustig op los terwijl ze vliegen of
zitten. Beide werken aan het nest: zij vermengen hun speeksel met
aarde en de buitenwanden worden versterkt met strohalmen. De
inrichting van de woonplaats is voor het wijfje. Zij bekleedt de
binnenkant met zachte veertjes opdat haar kroost het aangenaam warm
zou hebben.
Het legsel bestaat in het algemeen uit 4 tot 6 eieren. Mevrouw schrikt
er ook niet voor terug om stiekem een eitje in het nest van de
buurvrouw te deponeren.
Heel
wat bastaarden worden grootgebracht door een stiefmoeder.
Het wijfje broedt in haar eentje de eitjes uit, maar manlief brengt
haar ondertussen wel voedsel aan.
|
Van
manlief gesproken: hij moet zijn vrouwtje zorgvuldig in ‘t oog houden,
want bij de boerenzwaluwen is er meestal een groot mannenoverschot. Dit wil
zeggen: veel paarlustige heren. De vrouwtjes zitten er niks mee in om
geregeld even vreemd te gaan. Onderzoekingen hebben aangetoond dat ruim een
vierde van de telgen een andere vader heeft.
De dames kiezen ook hun heer: de lengte van de staartpennen is grotendeels
bepalend voor de keuze. Hoe langer de staartpennen zijn, hoe meer kansen
mijnheer heeft om gekozen te worden.
Men heeft ooit de staartpunten van een succesrijke vrouwenversierder
afgeknipt en vastgeplakt aan een heertje dat nooit werd gekozen.
Wat gebeurde er? Het wijfje wisselde prompt van partner.
Waarom
zijn die staartpennen nu zo belangrijk voor de vrouwtjes?
Hoe langer de staartpunten hoe groter de wendbaarheid in de lucht is, hoe
beter mijnheer kan jagen, hoe meer insecten hij mee naar huis brengt en hoe
groter de overlevingskansen van de jongen zijn. Vandaar!!!
En
er moet voor een talrijke kroost worden gezorgd, want de boerenzwaluwen
hebben twee tot drie broedsels per jaar.
Eens de eieren uitgebroed trekt mama mee op jacht, want die kindermondjes
moeten voortdurend worden gevoed. Een nest met 5 jongen heeft, per dag,
ongeveer 6 000 insecten nodig.
Per week, zijn eigen voedsel inbegrepen, verslindt een boerenzwaluw zowat 50
000 insecten. Er is geen spuitbus die daar tegenop kan!
Bij slecht weer gaan ze zelfs ‘s avonds door met de jacht, want per
maaltijd moet een jong minstens een honderdtal insecten hebben om te kunnen
overleven. Papa of mama maken geen grote voederballen, maar vangen een
portie, maken er eventueel een heel klein balletje van en brengen dit
ogenblikkelijk naar de jongen. Zo vliegen ze voortdurend heen en weer.
Ook de wereld van de boerenzwaluwen kan hard zijn. Als papa-zwaluw om het
leven komt, dan staat er al vlug een vervanger voor de deur. Deze keurt het
nest en als de kroost in het nest reeds tamelijk groot is, dan aanvaardt hij
zijn nieuwe familie en zal helpen bij het voederen.
Zijn de jongen nog klein, dan worden ze zonder pardon uit het nest gezwierd
of doodgepikt en zorgt hij voor een nieuw nakomelingenschap.
Is het een goed huwelijk, dan wordt het meestal het jaar nadien verder
gezet, als tenminste beide de trektocht hebben overleefd, want dit is niet
zo evident. Slechts 1 op 5 keert terug.
 |
Vanaf
augustus, maar meestal in de tweede helft van september, vertrekken ze
weer naar hun winterkwartieren in Midden-Afrika en Zuid-Afrika. Zij
verzamelen zich in grote groepen en vertrekken met luid gekwetter.
Voor de terugtocht nemen zij rustig hun tijd, zij vliegen ongeveer 200
km per dag.
Zij overnachten gezamenlijk in rietvelden en na enkele maanden zijn ze
in hun winterkwartieren.
In Transvaal heeft men ooit op een slaapplaats in het riet 1 miljoen
zwaluwen geteld.
In Nederland overnachten in het najaar geregeld een half miljoen
exemplaren in de Oostvaardersplassen.
Zij leggen geen vetvoorraad aan, want gedurende de trek gaan ze op
jacht en eten ze.
|
Veel
vogels overleven de overtocht van de Sahara niet. Zij jagen daar bij de
oasen maar het voedselaanbod is meestal niet voldoende en honderdduizenden
zwaluwen schieten er het hachje bij in. Slechts 20% slaagt erin om het jaar
nadien weer op de broedplaats aan te komen.
Sommige sterke exemplaren lukken er zelfs in om 5 tot 6 jaar na elkaar weer
te keren.
Men
ziet geregeld grote groepen zwaluwen voorbij trekken tegen de achtergrond
van een heldere maan.
Vroeger dacht men dat de zwaluwen in het najaar naar de maan vlogen en daar
de winterperiode doorbrachten.
Bert
Meynen
|