| De Gierzwaluw (Apus apus) | ||||
Men
vertelt soms dat Gierzwaluwen die op de grond zijn terechtgekomen niet meer
kunnen opstijgen, maar dit is een fabeltje. Het kost hun wel behoorlijk wat
moeite, maar het gaat. Hun
naam hebben ze te danken aan het geluid dat ze maken: het scherpe
“srie-geschreeuw” doet denken aan een gierend geluid. Zowel hun snelheid
als hun geluid hebben geleid tot de naam “Gierzwaluw”. (Gieren
= 1
schreeuwen, gillen;
2
met een zwaai wenden en dan in een andere richting voortgaan.) Snelheid
inderdaad, want ze vliegen gemakkelijk met een snelheid van 120 km per uur
en in duikvlucht bereiken ze snelheden van meer dan 200 km per uur. Vandaar
de noodzaak van de veertjes die de ogen beschermen.
De
vogels hebben een open ruimte onder de nestopening nodig, want ze komen
aanvliegen in een opwaartse boog. Het
mannetje heeft op voorhand een nestplaats uitgekozen en het wijfje nadert
schoorvoetend om kennis te maken. Eerst neemt het mannetje een dreighouding
aan, kop laag en slaan met de vleugels. Het wijfje neemt daarop een
“onderdanige” houding aan: zij keert haar kop en snavel naar boven,
toont het mannetje haar onbeschermde witte keel en nodigt hem uit haar veren
te poetsen. Na
de balts starten beide met de bouw van het nest. Eventuele
eieren worden overboord gekieperd en als er jongen zijn worden ze buiten
gegooid ofwel in stukken gepikt en in de nestwand verwerkt. Alles
wat de wind in de lucht meevoert wordt gebruikt als nestmateriaal. Zo heeft
men ooit waargenomen dat een Gierzwaluw een levende vlinder meebracht om in
zijn nest te verwerken. De
zwaluwen plakken het aangevoerde nestmateriaal aaneen met hun speeksel. Zij
houden hun kop net boven hun bouwmaterialen en braken er langzaam dikke
draden speeksel over. Tijdens dit werkje drukken zij af en toe alles samen
met hun snavel en draaien zij in het nest heel traag rond, zodat een mooie,
ronde binnenzijde ontstaat. Als
het een zonnige, warme zomer is
met veel insecten, deponeert het wijfje in de kinderkamer 3 witte eitjes.
Bij een minder goede zomer zijn het er 1 ŕ 2. Na
18 tot 21 dagen kruipen de jongen uit het ei. Zij worden dan gevoederd door
beide ouders. Men
heeft ooit zo’n bal opengepeuterd en in het totaal trof men er 543
insecten in aan: van vliegen tot bladluizen. Als je dan rekent dat op een
mooie zomerdag met veel insecten, de ouders ongeveer 30 voedselballen naar
het nest brengen, dan komen we (buiten hun eigen eten), tot de verdelging
van ± 16 000 insecten per dag, per broedend koppel! Dat kan al
tellen! Maar, bij slecht weer zijn er bijna geen insecten. De Gierzwaluwen
hebben blijkbaar een ingebouwde barometer, want zij voelen het slecht weer
aankomen. De
ouders zoeken dan gebieden op met beter weer en vliegen soms wel 1 000 km
ver om aan voedsel te geraken. Eventjes gaan shoppen in Londen, Parijs of
Bordeaux is dan niet ongewoon. Blijkbaar
schijnen zij op dat ogenblik gewoon hun jongen te vergeten. Nochtans is het
gewoon een kwestie van overleven, want dode ouders kunnen geen jongen voeren
en dode jongen kunnen op hun beurt niet zorgen voor nakomelingen. De
baby’s gaan dan over in een toestand van “schijndood”. Hun
lichaamstemperatuur daalt van 38° C naar 21°, hun hartslag en ademhaling
vertragen, ze verstarren helemaal en een niet-ingewijde zou kunnen denken
dat ze dood zijn, want ze voelen stijf en koud aan. In
die toestand kunnen ze het meer dan een week volhouden. Als het zonnetje
weer schijnt en papa en mama komen terug, dan komen ze allen weer tot leven. Na
een abnormale lange nestperiode van 5 tot 8 weken zijn de jongen rond en
vet. Die nestperiode is zo lang omdat de jongen, als ze het nest verlaten,
perfect moeten kunnen vliegen, want vanaf dat ogenblik gaan ze 2 tot 4 jaar
geen grond meer raken! De
ouders staken het voederen en na een drietal dagen creperen de jongen van de
honger en kruipen ze uit het nest. Ze aarzelen nog wat, sommige zelfs enkele
dagen, maar storten zich dan toch in de diepte. Gierzwaluwen
slapen inderdaad in de lucht. ‘s Avonds stijgen ze tot op grote hoogte en
zweven dan langzaam, in grote cirkels naar omlaag. Tegen de morgen zijn ze
beneden en dan wordt de intense jacht op insecten hervat. Ook
paren doen ze in de lucht: vast geen gemakkelijke klus. Het mannetje gaat
eerst voor het wijfje zweven en zet daarbij zijn vleugels in de vorm van een
V. Hiermede wil hij aantonen dat hij wel zin heeft in het een en het ander. Als
het wijfje instemt, slaat ze sneller met haar vleugels, en komt ze dicht
tegen het mannetje vliegen. Deze richt zijn vleugels hoog op en neemt plaats
op de rug van het wijfje. Mevrouw houdt daarbij haar vleugels horizontaal
gespreid. Gedurende de paring glijdt het koppel langzaam naar beneden. Eind
juli hebben alle jongen het nest verlaten en bijna ogenblikkelijk daarna
begint de helse tocht naar het zuiden van Afrika. Begin
augustus zijn alle Gierzwaluwen hier verdwenen en zij komen pas eind april
van het volgende jaar terug. De
uitgevlogen jongen moeten dus al aanstonds mee op trektocht: 8 000 tot 9 000
km. Zij
trekken dus al weg als er hier nog voldoende insecten zijn om in Zuid-Afrika
te gaan ruien. De jongen, die pas uit het ei zijn gekomen, ruien het eerste
jaar nog niet en vliegen dus driemaal op en af alvorens hun slagpennen te
vernieuwen. Het duurt ook twee jaar vooraleer de jongen geslachtsrijp zijn. Sommige
vogels stoppen ook één of twee jaar met broeden: zij nemen een soort
“loopbaanonderbreking.” De reden hiervoor is nog niet bekend. Een Zwitserse vogel bereikte zelfs de gezegende leeftijd van 21 jaar.
Bert Meynen
|
||||
|
[home][contact] |
||||