|
Als je een perfect golvende vlucht
ziet, waarbij in de opwaartse lijn de vogel heel snel met de vleugels slaat
en deze daarna, bij de glijvlucht naar beneden, tegen de romp houdt gedrukt
en als je bovendien nog wordt uitgelachen met een helder klinkende “klu -
klu - klu” lach, dan mag je zeker zijn dat je net een groene specht hebt
zien vliegen.
Niettegenstaande de groene specht zijn favoriete voedsel op de grond
zoekt, is hij uitermate goed uitgerust om tegen de stammen van de bomen te klimmen.
|
Zijn
tenen zijn echte klimhaken: vier vlijmscherpe haken waarvan er twee
naar voor en twee naar achter zijn gericht. Bij heel gladde
oppervlakken kan de buitenste teen van iedere poot, naargelang de
noodzaak, naar buiten of mee naar boven worden gericht.
Zijn staart bestaat uit keiharde veren die dienen als steun tegen de
stam. Bij de rui wisselt het middelste paar staartpennen het laatst,
zodat de specht nooit zonder ruggensteuntje zit!
De groene specht is, zoals trouwens alle andere spechtensoorten, een
zeer behendig klimmer. Hij klimt even behendig naar boven als naar
beneden. Dit laatste doet hij niet met de kop naar beneden, zoals de
boomklever, maar hij steunt met zijn sterke staart tegen de boom en
daalt majestueus de stam af.
Enkel om zijn hol binnen te glippen hangt hij soms met het hoofd naar
beneden.
Die kop is bij alle spechten wel iets speciaal, ik kom daar aanstonds
op terug. |

De Groene specht
klimt ook vaak tegen stammen van bomen.
|
Alle
spechtensoorten hakken holen uit
en roffelen hun liefdeslied als volleerde drummers.
De groene specht heeft de zachtste roffel. Hij duurt een beetje langer dan
één seconde en telt ongeveer 20 tot 30 slagen. Het gaat zo snel dat je
zelfs zijn kop bijna niet ziet bewegen.
Nochtans roffelt de groene specht zelden, dit in tegenstelling tot zijn
familieleden: de kleine en grote bonte specht en de zwarte specht. Zijn
roffel is ook opvallend zwak voor zo’n grote specht.
Die klop- en trommelgeluiden zijn de spechtentaal.
Hiermee babbelen zij met andere soortgenoten over het territoriumbezit, waar
zij overal hun slaapplaatsen hebben, de keuze van de nestplaats, de
aflossing bij het broeden, enz. Het drummen heeft dus een duidelijke sociale
functie. Ook met zijn drumkwaliteiten verleidt een mannetje een wijfje: hoe
mooier roffel hij ten gehore kan brengen, hoe sneller hij van de straat is.
Daarom zie je ook soms een specht er lustig op los trommelen op een metalen
pyloon die goed resoneert en een perfecte klankbodem vormt.
Tijdens
het begin van de paarvorming, dit is vanaf februari, laat de kandidaat-vrijer ‘s
morgens en ‘s avonds zijn verlokkende lach horen. Hiermee zoekt hij
contact met mogelijke liefjes. “Hij” zit dan in de onmiddellijke
nabijheid van zijn slaaphol en “zij” komt eens kijken wie daar zo van
zijn paretten maakt.
Als hij het wijfje ziet komen wipt hij zeer agressief met de kop, want
tenslotte weet hij nog niet dat het een wijfje is. Het wijfje schudt dan de
kop zachtjes heen een weer als om te zeggen: “Rustig maar, hevige, zie een
wat een knap vrouwtje ik ben.”
Dat heen en weer zwaaien komt over als een sussend gebaar, maar in feite is
het bedoeld om het mannetje te tonen dat zij geen rode baardstrepen heeft en
dus een vertegenwoordigster is van het andere geslacht.
Vervolgens gaat zij op de loop. Typisch vrouwelijk gedrag: eerst uitdagen en
dan gaan lopen.
Meneer achtervolgt haar en daarbij kringelen ze beide in een spiraalvormige
vlucht rond de takken van de bomen en vliegen ze van boom tot boom.
Indien beide op zeker ogenblik het wel zien zitten, bezoeken ze samen eerst
de nestplaats waaraan meneer al is begonnen voor hij kennismaakte met
mevrouw. Bevalt dit hol mevrouw niet, dan gaan ze samen op zoek naar een
geschikte nestplaats. Ze inspecteren eerst de bestaande holen (ook deze van
andere spechtensoorten) en pas als er geen geschikt hol wordt gevonden
begint meneer er een nieuw uit te hakken. Geregeld lost mevrouw af bij het
hak- en kapwerk.
|
Een
nestplaats is dieper dan
een slaapplaats. Aan een slaaphol
werkt hij gewoonlijk een dag of 14, aan een nestplaats werken beide
bijna een maand. Deze is dan ook veel dieper dan een rustplaats voor
de nacht en gaat meestal tot 30 cm.
Meestal wordt voor zulke nestplaats een boom uitgekozen die een zieke
plek heeft die zachter is dan de rest van de stam. Toch gebeurt het
ook dat spechten in een volmaakt gezonde boom een gat hakken.
Het nest wordt binnenin niet bekleed met materiaal dat wordt
aangevoerd, maar de uitgehakte spaanders vormen de vloerbedekking.
Dat hakken gebeurt met stevige slagen. Stel eens voor dat je met je
hoofd tegen een stam zou bonken met de kracht en de snelheid waarmee
een specht dit doet. Je houdt er minstens een razende hoofdpijn aan
over.
|

De
Groene specht nestelt in een boomholte. |
Het
is duidelijk dat de specht in zijn of haar kop
over degelijke schokdempers moet beschikken.
Hoe dat juist in elkaar zit, weten wij pas uit recente onderzoekingen.
De tussenwand tussen de ogen is bij de spechten “verbeend” en het
voorhoofdsbeen is boven de snavel versterkt met “beenbalkjes”. Enkele
schedelspieren zijn vastgehecht aan de snavel én aan het kaakgewricht en
zijn zó sterk ontwikkeld dat zij de stoot van de snavelslag op het juiste
moment opvangen. De snavel zelf is verstevigd met hoornen lijsten.
De heen en weer gaande beweging van het slaan op de bast, wordt door die
speciale spieren én door kraakbeen omgezet in een draaiende beweging. Zo
wordt de terugslag gereduceerd en bereiken nog enkel wat zachte trillingen
de hersenen. Dit is in feite een unieke constructie!
De
broedtijd loopt van eind april
tot juni en jaarlijks wordt er slechts één broedsel grootgebracht. Het
wijfje legt 5 tot 7 glanzend witte eieren (alle spechteneieren zijn trouwens
wit) en broedt deze gedurende 14 tot 19 dagen uit.
Zowel mama als papa verdelen de taken, want beide lossen elkaar af bij het
broeden en beide zorgen ook voor het voeden van de jongen die na 18 tot 21
dagen uit het nest vliegen, maar er wel in terugkeren om te overnachten.
De jongen worden gevoerd met een speciale babypap. De ouders vangen tientallen insecten en bewaren ze
in hun krop. Hier worden deze diertjes reeds omgezet in een witte brij en
dat is het ideale papje voor de baby specht.
Na het uitvliegen
blijven ze nog één tot anderhalve week bij hun ouders, maar dan moeten ze
volledig op eigen pootjes staan. Ver zwerven ze echter niet weg, want de
groene specht is nogal honkvast. Ze blijven meestal in de buurt wonen waar
ze geboren zijn en ook mama en papa blijven trouw aan hun geboorteplaats.
De
groene specht eet larven van insecten die in hout boren, kevers, vlinders en
zo meer, maar hij is vooral verzot op mieren en hun larven en deze maken 90
% van zijn menu uit.
Om bij de mieren in hun nest te geraken beschikt hij over een ongeveer 10 cm
lange, kleverige tong met aan het uiteinde een verhard lepeltje waarmee hij
de larven uit hun holletjes kan scheppen.
De mieren nemen dat niet en vallen de peuterende specht met honderden aan,
maar deze stoort er zich niet aan en degusteert rustig verder.
Als hij op jacht gaat naar insectenlarven in de boomschors, dan hamert hij er enkele malen
flink op los en verplaatst zich dan vliegensvlug naar de andere kant van de
stam om de gevluchte larven op te pikken.
Vroeger dacht men dat hij daar ging kijken om te zien of hij er al doorheen
had gehakt. Een andere theorie zei toen dat hij zich vlug verplaatste omdat
hij gedurende het kloppen niet had kunnen zien of er gevaar dreigde van
eventuele belagers.
De
specht is voor altijd gedoemd om te ploeteren om te overleven. Om een woning te bouwen
moet hij hakken en kappen en ook om aan voedsel te geraken moet hij al net
hetzelfde doen. Hoe komt dat nu?
Een legende vertelt ons dat
Christus en zijn apostelen na een lange, vermoeiende dagmars, aanklopten bij
een oud "wijf", Gertrude. Ze vroegen haar heel beleefd om wat eten
en drinken, maar zij weigerde hen ook maar iets te geven.
Daarop veranderde zij in een specht die altijd in hard hout zou moeten
hakken om iets te eten te vinden en die moest vragen om drinken. Zo werd in
de loop van de tijden gezegd dat de specht roffelde om regen te vragen.
Daaruit ontstond de spreuk: "Als de specht roept: "Giet! Giet!
Bedriegt hij u niet!"
Wegens zijn krachtig hameren hebben de Romeinen de specht toegewijd aan hun
oorlogsgod Mars.
Men
is lang van mening geweest dat de specht ijzer uit de boom wist los te
maken, waarmee hij dan de opening van zijn nest afsloot. Maar, dat schijnt
niet waar te zijn, alhoewel, in de dierenwereld moet je van niets
verschieten!
Bert
Meynen
|