|
Einde
februari, begin maart arriveert de Tjiftjaf weer in ons land. Hij is de
eerste van de “loofzangers” die aankomt.
Er zijn Aziatische en Europese loofzangers. Deze laatste zijn kleine,
groenachtige, onopvallende vogels die in het gebladerte en in de struiken
leven.
De Europese loofzangers die je bij ons geregeld kunt waarnemen zijn de
Tjiftjaf, de Fitis en de Fluiter. Af en toe is hier ook een Bergfluiter te
zien, maar normaal komt die alleen in Nederland voor op de Veluwe.
 |
Alle
loofzangers bouwen een tamelijk loszittend, bolvormig nest waarvan de
ingang aan de zijkant ligt en naar boven is gericht.
Het nest zelf is altijd laag tegen de grond of op de grond gelegen.
De
Tjiftjaf heeft een tweelingbroer, de Fittis.
Je kan ze, qua uiterlijk, alleen van elkaar onderscheiden door de
kleur van hun poten.
De Tjiftjaf heeft donkergekleurde poten en bij de Fitis zijn deze
onderste ledematen licht van kleur.
Men heeft maar eerst in de 19de eeuw ontdekt dat Fitis en Tjiftjaf
twee verschillende soorten zijn.
Zie
ook een ander artikel
betreffende dit onderwerp op onze site |
Terug
naar de Tjiftjaf nu.
Op zijn trektocht naar hier en als hij vanaf half augustus tot einde oktober
weer afreist, vliegt hij vooral ‘s nachts.
Vanaf het moment dat hij aankomt van zijn contreien aan de Middellandse Zee,
begint hij ogenblikkelijk te zingen. Hij plaatst zich daarvoor meestal hoog
in een boom, als het even kan zelfs in het topje, en geeft dan zijn
eentonige serenade ten beste. Een aandachtige luisteraar hoort tussen het
getjif en getjaf in een zacht “titu”-geluid.
Geregeld laat hij ook een scherpe en verklinkende “wiet” horen, om
contact te zoeken met soortgenoten, want de mannetjes komen enkele weken
voor de vrouwtjes aan. Ieder van hen wil zo snel mogelijk een eigen
bouwterrein en men houdt onderling contact bij de verkaveling van de
terreinen.
Eens
de gronden verdeeld, begint het zingen voor een wijfje.
Jammer genoeg geraken niet alle mannetjes aan een wijfje, bijna éénderde
blijft verplicht vrijgezel. Het zijn deze vrijgezellen die parmantig blijven
verder zingen in de hoop dat een of ander vrouwtje alsnog zal bezwijken voor
zijn charmes. Bovendien kunnen zij een “herexamen” afleggen.
De
Tjiftjaf heeft jaarlijks twee broedsels, maar niets verplicht mevrouw om een
tweede legsel te krijgen van haar huidige man. De onvermoeibare zanger
krijgt dus nog een kans. Maar, de eerste echtgenoot wil ook nog wel een
tweede keer vader worden, vandaar dat je bijna tot in de nazomer nog het
getiptap van de tjiftjaf hoort.
Het
bouwen van het nest is een karwei voor mama. Papa-tjiftjaf zit ondertussen
hoog op zijn favoriete plekje te tjiftjaffen.
Het nest wordt vervaardigd van droge bladeren, gras en mos. Het is zo goed
verstopt in laag struikgewas, net boven de grond, en zo knap gecamoufleerd,
dat het bijna onvindbaar is. Het gaat volledig op in zijn omgeving.
Ook
het broeden is een taak voor moeder. Na een broedperiode van 13 tot 15
dagen, kruipen er 4 tot 7 kleine tjiftjafkens uit het ei. Nu schiet ook papa
in actie. Hij helpt met voederen, maar, net zoals bij de Merel, worden de
nakomelingen tussen de beide ouders verdeeld. Ieder van hen weet perfect
welke kleintjes aan hem of haar zijn toegewezen en die brengen ze dan ook
verder groot. Om mekaar niet voor de voeten te lopen bij het zoeken naar
eten, jaagt het mannetje in de kruinen van de bomen en speurt het wijfje het
struikgewas af. Na ongeveer 2 weken vliegen de jongen uit.
Men
heeft vastgesteld dat een aantal exemplaren niet meer naar het zuiden trekt,
maar rustig hier blijft overwinteren.
Blijkbaar voelen de vogels al aan dat er stilaan misschien een
klimaatverschuiving plaatsvindt.
Bert
Meynen
|