Het mysterie van de vogeltrek

Het aantal trekvogels wordt groter als de weersomstandigheden en het voedselaanbod slechter worden. Nochtans is er op aarde geen enkel gebied dat volledig door de vogels wordt verlaten, hoe slecht de omstandigheden ook zijn. Er zijn altijd wel "Rambo’s" die in alle omstandigheden weten te overleven.

ALGEMEEN.

In ons land en Nederland zijn 406 vogelsoorten vastgesteld.
Naargelang hun broedgedrag spreken we van:

jaarvogels
die broeden en overwinteren hier. We kunnen ze heel het jaar door opmerken, niettegenstaande er soorten zijn die geheel of gedeeltelijk wegtrekken en worden vervangen door soortgenoten die uit het noorden komen. Denken we hierbij bijvoorbeeld aan Zanglijster, Spreeuw, Wilde eend, Blauwe Reiger en Roodborst.

zomervogels
zij broeden hier en trekken daarna volledig weg. Voorbeelden hiervan zijn Wielewaal, Fitis, Gierzwaluw, Koekoek, enz.
 

jaargasten
dat zijn vogels die als soort wel het hele jaar voorkomen, maar hier normaal niet broeden. Denken we hierbij aan Zwarte Zee-eend, Bonte Strandloper.

wintergasten
vogels die hier overwinteren, maar niet (of zelden) broeden: Keep, Rietgans, zaagbekken, Koperwiek, ...

doortrekkers
de naam zegt het zelf. Voorbeelden hiervan zijn Kraanvogel, Beflijster, ...

onregelmatige gasten
dit zijn vogels die in onze eeuw meer dan 20 maal zijn waargenomen, maar niet elk jaar te zien zijn. Zwarte Ibis, Grote Trap en Notenkraker zijn zulke vogels.


bonte strandloper

dwaalgasten
vogels die in de loop van de eeuw niet meer dan 20 maal zijn geconstateerd + vogels die in onze eeuw niet meer zijn waargenomen zoals: Witkopeend, Havikarend, Steppehoen, Kalanderleeuwerik.

Er zijn 163 regelmatige broedvogels (jaarvogels + zomervogels). Hiervan zijn 64 echte trekvogels (zomervogels).
Bij deze trekvogels overwinteren er in Zuid-Azië (b.v. de Kleine Vliegenvanger overwintert in India), in het gebied van de Middellandse Zee, in Noord-Afrika (van Senegal tot Ethiopië), in Centraal-Afrika en in Zuid-Afrika (tot aan de Kaapprovincie, b.v. de Gierzwaluw).

Volgens hun verplaatsing kan men de vogels indelen in 3 groepen:

standvogels
zij blijven winter en zomer in de onmiddellijke nabijheid van hun broedgebied;

trekvogels
die verlaten elk jaar hun broedgebied en trekken naar hun winterkwartieren in het zuiden;

zwerfvogels
blijven na de broedperiode min of meer in de omgeving (tot op een paar honderd kilometer) zwerven. Meestal houden zij hierbij geen bepaalde richting aan.

Binnen deze 3 groepen heeft men dan weer tussenvormen.
Bij sommige vogelsoorten zijn de wijfjes en de jongen trekvogels, terwijl de mannetjes standvogels zijn (b.v. Merel). Bij andere soorten zijn sommige standvogel (bijvoorbeeld de oudere roodborstmannetjes) andere dan weer zwerfvogel.

Ook de broedplaats kan bepalend zijn voor het trekgedrag: een vogel die in het noorden broedt kan een trekvogel zijn en zijn soortgenoot die in het zuiden woont, blijft standvogel.

 

THEORIE.

Waarom trekken de vogels eigenlijk? Waarom trekken sommige in de winter naar het zuiden en blijven andere gewoon in hun broedgebied? De vraag is niet zo gemakkelijk te beantwoorden. Ornithologen houden er zich al jarenlang mee bezig.

Er zijn een drietal theorieën om de vogeltrek te verklaren, maar geen van alle is bewezen of algemeen aanvaard.

Met andere woorden: men weet het niet.

1. Een eerste theorie is deze van de verschillende klimaatgordels:
Vóór de ijstijd bewoonden vele vogelsoorten het noordelijk halfrond. Gedurende de ijstijd, als de gletsjers meer en meer naar het zuiden afzakten, werden de vogels uit hun broedgebieden gedrongen. Gedurende de postglaciale tijd (= de periode na de ijstijd), zochten deze vogels hun oorspronkelijk broedgebied weer op. In de 1000 jaar die volgden op de ijstijd zou de trek van de vogels dan een gewoonte zijn geworden.
De vertrekroute van de afzonderlijke soorten en de terugkomstroute zouden dan de huidige trekroutes zijn.
Maar: ook op andere delen van de aarde, waar nooit een ijstijd is geweest, trekken de vogels!
 
Zo zijn er Oost-Aziatische vogels die naar Oost-Afrika trekken.
In Afrika trekken ongeveer 20 soorten van de Kaap (het puntje in het zuiden van Afrika) naar het noorden van de Kongostroom.
In het subtropische Zuid-Australië komen verschillende soorten voor die naar Nieuw-Guinea, Celebes, Java en zelfs naar Borneo en Sumatra trekken.
De theorie kan dus wel opgaan voor een deel van de trekvogels, maar ze is zeker geen algemene regel.
 


verzamelen geblazen

2. Een tweede theorie gaat ervan uit de vogels vroeger allemaal in de tropische en de subtropische gebieden van het zuiden leefden:
Daar vermeerderden ze steeds meer en meer zodat er op zeker ogenblik voedselgebrek kwam voor de jongen die werden geboren.
De ouders moesten dus op zoek naar andere gebieden waar ze konden broeden en die nog voedselrijk waren. Zo trokken ze dan naar het noorden, gingen daar broeden en keerden nadien weer terug.
Een onderdeel van deze theorie is dat de typische insecteneters het in de winter moeilijk hebben om aan eten te geraken en daarom wegtrekken.
Maar, weer gaat deze theorie zeker niet op voor alle trekvogels. De gierzwaluwen verlaten hun geboortegrond reeds in juli, als er nog een overvloed aan insecten aanwezig is.

 

3.  Een derde theorie zegt dat het trekken bij de vogels te maken heeft met de vermindering van het daglicht:
Het daglicht beïnvloedt de werking van de klieren die chemische stoffen afscheiden. Wanneer de dagen in de herfst korter worden, degenereren de geslachtsklieren en dit zou tegelijkertijd de reislust wakker maken.
In gebieden die hoger in het noorden liggen is er 14 tot 16 uur daglicht per etmaal. In sommige gebieden is er zelfs bijna geen nacht. De vogels hebben daar dan ook meer tijd om voedsel te zoeken voor hun jongen.  
Maar, weer hapert er wat aan deze theorie.
In de tropen en in het equatoriaal gebied duurt de dag even lang als de nacht. En toch broeden daar ook vogels. Kruisbekken broeden zelfs in de winter en zijn tevreden met een heel klein beetje daglicht. Natuurlijk ligt hun voedselpatroon wel anders: zij eten de zaden van de dennenappels en voeden zich niet met insecten.

4. Ooit voegde men aan de drie grote theorieën nog een vierde toe: de theorie van de rui:
Gedurende de periode van de rui (en dat duurt wel meerdere weken) zijn vogels zeer kwetsbaar, verbruiken ze heel veel energie en verliezen ze veel lichaamswarmte. Om die warmte dan toch enigszins op peil te kunnen houden vertrokken ze naar warmere streken.

Maar
: standvogels ruien ook een zij overleven evengoed en er zijn bovendien veel trekvogels die nog ruien vóór ze vertrekken.

Je ziet, het is nog niet bewezen hoe de vogeltrek is ontstaan.

 DE TREK.

Maar hoe wordt nu deze trek gedirigeerd ?
Op zeker ogenblik, meestal na de rui, gebeurt er een verandering in de stofwisseling. Hormoonklieren worden geprikkeld en binnen enkele dagen wordt er een vetlaag gevormd. Nu ontstaat de "trekdrang", dikwijls onder invloed van het weer of de sterkte van het licht.
Ook kooivogels kennen deze drang. Ze beginnen te fladderen in hun kooi en ze vliegen, tot verwonden toe, tegen de tralies.
 
Deze trekneigingen zijn erfelijk. Een jonge koekoek trekt lang vóór zijn ouders alleen, en bovendien nog ‘s nachts, naar Afrika.

Hoe vinden de trekvogels hun weg ?
Het verbaast ons telkens weer hoe vogels feilloos hun weg naar hun thuishaven of hun broedgebied terugvinden. De jongere vogels trekken wel meestal met oudere en dus geroutineerde vogels, maar zelfs als de jongeren alleen trekken vergissen zij zich nooit.
Vroeger dacht men dat het te maken had met het aardmagnetisme, dat zij een soort ingebouwd kompas zouden hebben. Proefnemingen hebben echter aangetoond dat de vogels dit met hun zintuigen weinig of niet kunnen waarnemen.


jonge koekoek

Tegenwoordig neemt men aan dat de trekrichting (b.v. zuidoost, of zuidwest) erfelijk is ingeprent. De vogels beschikken over het vermogen om hun vluchtrichting van bij het vertrek vast te stellen. 
Zij bepalen hun vluchtrichting aan de hand van de hoek van het zonnelicht en van de positie van de sterren en de maan.
Onderzoekers brachten een spiegel aan die de richting van de zonnestralen veranderde en prompt veranderden de vogels hun vliegrichting. Zij oriënteerden zich op de valse zon! 

Met behulp van radar stelde men ook vast dat de vogels zich bij hun trek oriënteren naar de stand van de sterren. Zelfs bij een bedekte hemel kunnen de vogels de stand van de zon bepalen.

Maar, bij dichte mist trekken zij evenwel niet verder, omdat zij dan de richting niet kunnen vaststellen waar het licht vandaan komt. De trekvogel oriënteert zich dus overdag naar de zon en ‘s nachts naar de sterren of de maan.
Als hij eenmaal in de juiste richting is vertrokken, moet hij er ook voor zorgen dat hij op koers blijft.


Men veronderstelt dat de vogels, buiten het feit dat ze zich kunnen oriënteren op de zon of de sterren, ook min of meer het landschap kennen. Zij vliegen langs bepaalde luchtbanen, waarbij zij, vanuit hun overzicht in de lucht, waarschijnlijk opvallende bergen, rivieren, landschappen en dergelijke herkennen.
Men heeft vastgesteld dat vogels, die door omstandigheden (b.v. door stormwinden) hun richting waren kwijtgeraakt, in cirkels vlogen tot ze het juiste spoor weer hadden ontdekt.
Toch is deze verklaring (van de landschapskenmerken) zeker niet in staat om alles te verklaren.
Men ving een Spreeuw in de buurt van haar nest. Zij werd 340 km naar het noorden gebracht en losgelaten. Na enkele dagen was zij weer terug op haar nest. Zij werd weer gevangen en 500 km naar het zuiden gebracht. Na vijf dagen was ze weer thuis. Op zo’n grote afstand was het landschap en de landschapskenmerken zeker niet bekend. 

Onderzoekingen met andere vogels gaven dezelfde resultaten.
Dit bewijst dat het oriënteringsvermogen niet alleen beperkt is tot de trekperiode, maar ook gedurende de broedtijd aanwezig is.
Men bracht Boerenzwaluwen 35 km ver weg van hun nest. 2 tot 8 uur later waren ze terug. 
Normaal hadden zij een uur later al kunnen terug zijn, maar zij hadden eerst de ligging van hun nest moeten schatten met behulp van de invalshoek van het licht. In het begin vlogen ze niet in de juiste richting, maar na enkele omwegen kwamen zij op plaatsen die ze konden herkennen. 
Zelfs bij standvogels, die het hele jaar niet op reis gaan, stelde men hetzelfde vast. Het blijft een mysterie hoe de vogels hiertoe in staat zijn.
Duivenmelkers kunnen over dit oriënteringsvermogen straffe verhalen vertellen. Duiven die meegegeven zijn voor een wedstrijd, verloren worden gewaand en na weken weer opduiken in het ouderlijk huis!  

We weten er nog niet veel van! 
Dankzij het ringen van de vogels, weten we op dit ogenblik zeer veel over de Vliegroutes.
Door het ringen verkrijgt men gegevens over de trekrichting, de treksnelheid en de ligging van de winterkwartieren. Meestal volgt dezelfde soort vogels ook dezelfde richting maar dit is geen algemene regel. (Het is best mogelijk dat vogels van dezelfde soort verschillende broedgebieden hebben en dan ook verschillende trekroutes volgen.)  

De trek van de meeste Europese vogels gaat hoofdzakelijk volgens vier routes:

  • een "vogelstrade" gaat van Noord-Europa en Noordoost-Europa in zuid- westelijke richting, over West-Europa en het Iberisch schiereiland en verder naar Afrika;
  • een tweede stuwbaan (zo noemt men de massale trekroutes) gaat min of meer direct van noord naar zuid over Italië en Sicilië en dan verder Afrika in;
  • een derde snelweg loopt in zuidoostelijke richting over de Balkan en Klein-Azië en verder naar Oost-Afrika of zelfs naar India;
  • een vierde trekroute wordt genomen door sommige vogels van het Europese vasteland, van oost naar west om te overwinteren in Groot-Brittannië. Bij het oversteken van bergketens zoeken de vogels de bergpassen op en bij hun trek over zee vliegen zij meestal langs welbepaalde eilanden waar zij af en toe kunnen rusten. Soms komen vogels, die vanuit een breed front zijn vertrokken, op een bepaalde plaats ook samen om van daaruit dezelfde trekroute verder te volgen. De trekroutes vormt dan een soort trechter. De Nijldelta is onder meer zo’n trechterbuis. 

Sommige vogels maken ook gebruik van moderne transportmiddelen.
Zo ziet men dat vogels die in Groot-Brittannië overwinteren tijdens hun tocht over het Kanaal en de Noordzee landen op schepen en dan enkele uren meevaren tot er land in zicht komt. Vooral gedurende de herfsttrek ziet men een groot aantal blinde passagiers. 


noordse stern
Veel vogels leggen ontzettende afstanden af, maar geregeld houden ze rustpauzes. In het algemeen leveren ze een dagprestatie tussen de 200 en de 800 km, afhankelijk van de soort. Trouwens, de afstanden verschillen dagelijks en zijn sterk afhankelijk van de weersomstandigheden. De genomen rustpauzes variëren van enkele uren tot enkele weken. Waarschijnlijk legt de Kleine Goudplevier de langste afstanden af zonder te rusten.
De Noordse Stern is wereldrecordhouder lange-afstandstrekken. Ze broeden in de noordelijke poolstreken en trekken naar het zuidpoolgebied. Deze reis over de Atlantische oceaan bedraagt heen en terug 30.000 km. 

De snelheid waarmee wordt gevlogen is natuurlijk afhankelijk van soort tot soort. Meestal ligt de treksnelheid beduidend lager dan bij een vlucht op korte afstand. Zwaluwen, Kraaien en Vinken vliegen ongeveer rond de 50 km per uur, Kauwen rond de 60 km/uur, Spreeuwen tegen 70 km/uur. Eenden en steltlopers vliegen 90 en meer km/uur.  

De trekhoogte varieert van 30 tot 1500 meter. De meeste kleine vogels vliegen minder dan 100 meter hoog en het merendeel van de stootvogels vliegt hoger dan 100 meter. Er zijn echter verschillen, zelfs binnen dezelfde soort. Waarnemingen met de radar hebben uitgewezen dat geregeld hoogtes van 1000 tot 1500 meter worden bereikt. Kleine vogels kunnen wij op die hoogte niet meer zien en men spreekt dan van een "geheime trek". Meestal trekken de vogels op een hoogte waarbij zij het land kunnen blijven zien.  

Sommige vogels trekken alleen overdag (zoals Boerenzwaluw, kraaiachtigen en vinkensoorten), andere vooral ‘s nachts (Grasmus, Nachtegaal) en weer andere trekken zowel overdag als ‘s nachts (lijsters en Witte Kwikstaart). Natuurlijk vliegen zij dan niet de hele nacht. Meestal vliegen de nachttrekkers een drietal uren in de avond en een tweetal uren voor de zon opkomt. Sommige doen dan weer wel bijna "nachtje-door": Tjiftjaf en Fitis vliegen zowat 10 uur per nacht.  


kraanvogels
Binnen de vogels zijn er de egotrippers: soorten die alleen trekken (enkele stootvogels, Koekoek, Klauwieren en Draaihals) en de massatoeristen. Deze laatste trekken in grote formaties in de vorm van een wig of trapsgewijs schuin achter elkaar. De kopvliegers snijden als het ware de lucht en de vogels in het peloton laten zich trekken. Net zoals de wielrenners wisselen de vogels die op kop vliegen elkaar geregeld af. 

Zulke massatrekken zijn zeer indrukwekkend: in een quasi ononderbroken opeenvolging trekken honderdduizenden vogels over een bepaalde streek. Meestal bestaan de zwermen uit vogels van één soort, maar vaak trekken ook verschillende soorten tezamen en blijven ze ook in rust bijeen. Dikwijls zijn binnen de soorten ook de vluchten gescheiden: mannetjes en wijfjes trekken afzonderlijk en gewoonlijk komen de mannetjes eerst aan op de broedplaatsen. 

De tocht naar de broedplaatsen gaat meestal ook veel sneller dan de terugtocht naar de winterverblijfplaats, omdat in het voorjaar de vogels worden gedreven door een sterke broeddrang.

 

Bert Meynen

 

 

[home][contact]